|
 |
|
Twee generaties huisartsen: dr. Friezema (staand) en dr. v.d. Werff
(zittend).
(Foto: Henk Remerie)
|
|
Hoe bent U hier
terecht gekomen?
Dr. van der Werff: Ik ben als invaller begonnen bij dr. Blink in
Appingedam. Dr. Blink en dr. Anderson waren vrienden en op een
gegeven ogenblik vroeg dr. Anderson aan dr. Blink of hij geen
opvolger voor hem wist. Mijn naam werd genoemd en zo ben ik hier
in 1956 begonnen als huisarts. Vergeleken met nu was het toen
veel drukker. Je had totaal geen eigen leven. Alles stond in
dienst van de praktijk. Ik ben begonnen met 6 keer per week twee
keer per dag spreekuur. Daarnaast had je nog 24 uur per dag
dienst gedurende 7 dagen per week.
Hoe groot was de praktijk?
Deze omvatte de oude gemeente Noorddijk, Euvelgunne, Roode Haan,
Garmerwolde en Thesinge. Je reed toen veel meer visites dan nu,
deed veel meer bevallingen, ik had er zo’n 70 per jaar. Vroeger
bleven de kinderen langer bij de ouders wonen, kregen daar hun
kinderen en er werden veel meer kinderen geboren. Wat ik ook erg
leuk vond waren de kleine chirurgische ingrepen, zoals hechten
en zweren opensnijden. Het werk op zich is niet zo vreselijk
veel veranderd, maar je mag tegenwoordig minder dingen zelf
doen. Vroeger deed je kleine laboratoriumbepalingen zoals kijken
of iemand bloedarmoede of een ontsteking had.
Vond U het prettig dat er een apotheek bij de praktijk was?
Nee, totaal niet, je had er alleen maar werk van. Er moesten
minimaal 8000 patiënten zijn om het rendabel te maken. Alle
medicijnen kwamen aan in grote manden met flessen en potten en
het moest allemaal uitgeteld en verdeeld worden. Soms kregen de
mensen wel eens iets minder en soms wat meer. Een gewoonte in
het dorp was dat op zondagmorgen de mensen voordat ze naar de
kerk gingen hun lege medicijnflesjes in het kastje buiten
neerzetten en verwachten dan dat ze na de kerkgang weer gevuld
waren. Dat betekende dus werken op zondagmorgen.
Communicatie
De communicatie was nog niet zo goed, weinig mensen hadden telefoon,
wanneer je bezig was met visite rijden en je zag ergens een
krant voor de ramen staan betekende dat daar een dokter nodig
was. Ook het betalen ging nog ouderwets. Meneer Mulder ging
altijd met kwitanties lopen, hij haalde het geld dus
rechtstreeks op van de mensen. Er was naast het gewone
artsenwerk nog veel tijd nodig voor administratie. Ook werkte
iedereen vrij solitair, hoewel dit hier in Groningen wel mee
viel. Dat kwam als volgt: In de oorlog was de Slochter kring
ontstaan. Dit waren huisartsen uit Ten Boer, Scharmer,
Slochteren en Hellum die elkaar tijdens de Duitse bezetting
gegevens doorspeelden. Na de oorlog is dit contact blijven
bestaan en veranderd in een intensief medisch gesprek, overleg
en uitwisseling van gegevens. Dat was in die tijd heel erg
vooruitstrevend. Later, in ’72-’73, is de Breedenburgcursus
gestart, een bijscholingscursus waaraan je verplicht was deel te
nemen. Dat is een heel goede zaak geweest.
Hoe kijkt U
nu zelf tegen alle veranderingen aan?
Er is heel veel ten goede veranderd, vooral de automatisering, het minder
diensten draaien, de vele hulpmiddelen. Wat minder geworden is
denk ik het minder goed kennen van de patiënt, zijn persoonlijke
omstandigheden. Het is allemaal wat afstandelijker geworden.
Detta van der Molen
De G.S.M.
In de begin jaren was er geen G.S.M. (mobiele telefoon). Als dr. Friezema
visites reed had hij op de stoel naast zich een behoorlijk grote
kast staan, de semafoon. Het had drie verschillende lampjes. Als
er bij mevr. Friezema een spoedgeval gemeld werd stuurde ze dit
door naar de semafoon. Dr. Friezema kon dan aan het lampje zien
of het ging om een bevalling, een hartaanval of een ongeluk. Dan
zocht de arts een huis waar hij even mocht bellen om te weten
waar hij naartoe moest.
Maar als je bij een patiënt binnen was lag de semafoon in de
auto, want het apparaat was te groot om mee te nemen. Het kon
gebeuren dat er toch enige tijd zat tussen de verschillende
meldingen. Het mobieltje is dan ook een ideale uitvinding.
Het alarmnummer 1 1 2
In de beginperiode werd dr. Friezema gebeld als er een ongeluk was op de
Rijksstraatweg. Je ging er dan heen maar kon vaak weinig doen.
Vervolgens belde je als arts een ambulance. Door nu het nummer 1
1 2 te bellen is de ambulance sneller ter plaatse.
Er wordt geconcludeerd dat het nu beter gaat. De patiënt wordt
sneller geholpen, vooral in crisissituaties, bijvoorbeeld als
iemand een hartaanval heeft gekregen. Vroeger ging je eerst bij
de patiënt kijken, dan stuurde je hem door naar een specialist
in Groningen die een eigen praktijk had aan huis. De patiënt
moest dan verschillende trappen op voor hij bij de dokter in de
behandelkamer was en dan werd er een hartfilmpje gemaakt. De
patiënt werd daarna doorverwezen naar het ziekenhuis dus alle
trappen weer af. U kunt begrijpen dat daar heel veel tijd mee
verloren ging. Het was een wonder als je de hartaanval
overleefde.
Relatie arts/patiënt
Ik vraag mij af of de relatie tussen de arts en de patiënt veranderd is?
Dr. Friezema vindt niet dat het wezenlijk veranderd is. De
relatie arts/patiënt is hetzelfde gebleven. De patiënt is nog
even aardig. Sommige mensen zoeken informatie op internet, daar
wordt dan over gesproken. En er wordt vaker samen naar een
oplossing gezocht.
Het is natuurlijk wel zo, als je langere tijd een praktijk hebt,
je de mensen beter kent en je kunt inschatten: moet ik direct
naar iemand toe als er gebeld wordt! Je kent de voorgeschiedenis
en de bijzonderheden van de mensen.
Dokterdienst
Sinds 02-02-2002 is de doktersdienst in het leven geroepen. Dr. Friezema
heeft zijn diensten in Delfzijl en in Groningen. Dan ken je de
patiënt dus niet, je haalt de gegevens over de patiënt uit de
computer en je gaat er naar toe. Maar als je daar weer wat
langer in meedraait heb je toch herkenning als je bij een
patiënt komt waar je eerder geweest bent.
Door de invoering van de doktersdienst is het voor dr. Friezema
en zijn vrouw thuis wel wat rustiger en meer ontspannen
geworden. Je hoeft niet meer 24 uur bereikbaar te zijn en het
gevoel te hebben altijd bij de telefoon aanwezig te zijn. Je
wist dat het erbij hoorde, het was en is geen baan van 8.00 uur
tot 17.00 uur, maar dit is toch prettiger.
De apotheek
In Nederland zijn nog 285 apotheek houdende huisartsen. Alleen in de
provincies Groningen, Friesland en Drenthe. In de beginjaren
werden er poeders en pillen gemaakt. Daarna kwam er een periode
dat je grote hoeveelheden thuis kreeg waarvan je bijvoorbeeld
200 stuks moest tellen en zelf verpakken. Nu worden bijna alle
medicijnen in doordrukverpakking geleverd en kun je ze nog
gemakkelijker verwerken. Zoals het er nu uitziet blijft de
apotheek wel bij de huisartsenpraktijk bestaan.
De automatisering
De automatisering in de praktijk is de grootste verandering door de jaren
heen. Dr. Friezema schreef in de beginperiode de rekeningen
samen met zijn vrouw op zaterdagavond. De nota’s werden aan de
deur van de desbetreffende persoon geïnd. Nu gaat dat allemaal
via de computer en straks wordt het digitaal.
Er is ook een
verschuiving bij het afnemen en analyseren van het bloed
Nu stuur je de patiënt door naar het huisartsenlaboratorium voor een
totaal bloedbeeld. Via de post krijg je een dag later de
gegevens binnen. Met de komst van de automatisering zul je
binnenkort deze gegevens ook via het internet ontvangen. In het
verleden waren de uitslagen vaak veel langer onderweg.
Patiënten
doorverwijzen
Als je een patiënt had die je wilde doorverwijzen schreef je een kort
briefje, de patiënt ging op dezelfde dag naar het A.Z.G. en werd
ook dezelfde dag nog geholpen. Later kreeg je het systeem met de
verwijskaarten en moest je een afspraak maken bij de specialist.
En het gekke is dat er nu meer specialisten zijn en je
wachtlijsten hebt. Met elkaar maken we blijkbaar meer gebruik
van de specialisten. Dit is door de automatisering niet
veranderd.
Conclusie
Je kunt zeggen dat de huisartsenpraktijk qua omgang met de patiënten niet
veranderd is. De automatisering heeft wel veel veranderingen met
zich meegebracht. De huisarts is beter gedocumenteerd, sneller
op de plaats van bestemming en kan daardoor betere zorg leveren.
Wel wordt er anno 2005 anders naar de huisarts gekeken; je hoort
niet meer zoals vroeger bij de notabelen.
Misschien kunnen we over dertig jaar nog eens een kijkje nemen achter de
deur van de huisarts!
Hetty Vermue
|
|
Het bloed kruipt waar het niet gaan kan
Yvonne Schouteten: 'Hulpverlening hoort bij mij'
|
|
Sommige gezinnen staan
nog scherp op haar netvlies, al ligt de tijd dat ze als
wijkverpleegkundige werkzaam was in Garmerwolde en Thesinge
inmiddels ver achter haar. Na 29 jaar werken in de
gezondheidszorg wilde Yvonne een andere richting inslaan. Maar
de hulpverlening bleef trekken…
|
|
Prachtige tijd
Ruim twintig jaar was ze in dienst van Het Groene Kruis Ten Boer. “Het
was een prachtige tijd”, vertelt ze. Het komt uit de grond van
haar hart. “Er was eigenlijk niets toen ik hier kwam. Samen met
Lucie Nieboer heb ik van alles op poten gezet, zoals de
patiëntenadministratie en een cursus ziekenverzorging thuis. We
waren ook experimenteel bezig bijvoorbeeld met urineonderzoek
bij diabetici. In het begin waren we een soort pioniers, kun je
achteraf zeggen. Gelachen hebben we ook veel. Alles ging toen
anders. Bij het bevolkingsonderzoek voor tuberculose gingen wij
’s avonds naar de mensen toe die niet verschenen waren.
|
|
 |
|
|
|
Yvonne Schouteten (Foto: Wolter Karsijns)
|
|
De meeste mensen
hadden toen nog geen telefoon, dus we gingen gewoon aanbellen en
vragen of ze nog kwamen. Het was een goede tijd, maar het ligt
nu ver achter mij.” Wat ze zo mooi vond aan het werk? “Als
wijkverpleegkundige kom je dicht bij de mensen, de drempel is
laag. Mijn hart ging vooral uit naar het begeleidende werk. Ik
wilde niet alleen ‘technisch’ bezig zijn, maar mensen ook
begeleiden bij opvoedkundige vragen, problemen met peuters en
kleuters of bij stervensprocessen. Dat was ook wel mogelijk,
maar ik miste hierin soms de diepgang, vaak vanwege gebrek aan
tijd.”
Andere richting?
“Voor mij was de gezondheidszorg op een gegeven moment een gebed
zonder eind. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat was je aan
het werk en er kwamen steeds meer taken bij. Veertien jaar
geleden ben ik eruit gestapt. Het was op.” Na lang werken in de
gezondheidszorg bedacht Yvonne dat het misschien tijd was om
iets heel anders te gaan doen. Ze volgde verschillende
opleidingen en heeft nu een praktijk voor individuele
begeleiding waarin ze lichaamsgerichte psychotherapie geeft.
“Blijkbaar ligt mijn wezen in de hulpverlening”, zegt ze. “Maar
nu ben ik baas over mijn eigen agenda en probeer ik mijn eigen
grenzen te bewaken.”
Méér dan praten
Eigenlijk ligt het werk dat Yvonne nu doet een beetje in de lijn van het
begeleidende werk dat haar als wijkverpleegkundige zo aan het
hart lag. Maar die verdieping die ze toen vaker miste, is er nu
wel. Ze geeft hulp aan mensen die bijvoorbeeld overspannen zijn,
relatieproblemen hebben, of het verlies van een geliefde willen
verwerken. Maar ook voor mensen die zich rusteloos of gespannen
voelen, onvrede hebben met zichzelf en hun leven kan
lichaamsgerichte psychotherapie een steun zijn. De therapie
houdt méér in dan alleen praten over de problemen. Door
ademhaling, beweging, geluid en aanraking komen spanningen,
innerlijke conflicten en ingehouden gevoelens naar boven. “Je
weet vaak met je verstand wel hoe dingen werken, maar de onvrede
blijft. In de lichaamsgerichte psychotherapie gaat het erom dat
mensen zelf patronen leren ontdekken en accepteren en van
daaruit veranderingen tot stand brengen. Met je hoofd
omschakelen, dat lukt meestal niet”, legt Yvonne uit. “Ook het
gevoel speelt een belangrijke rol. Verstand en gevoel moeten
samenwerken en in balans komen. Dan wordt duidelijker wat je
echt met je leven wilt”.
Ontroerend
Het is fantastisch werk, vindt ze. “Dat mensen vertrouwen in je stellen,
dat ze je hun ziel en zaligheid laten zien en dat je een eindje
met hen mee mag lopen op hun levenspad! Dat boeide mij ook
altijd in mijn werk als wijkverpleegkundige.” Groot respect
heeft ze voor de mensen - en met name voor de jongeren - die in
haar praktijk komen. “Vaak zijn het mensen die in hun leven
ontzettend veel te verstouwen krijgen. Ze hebben wel geleerd te
overleven, maar proberen weer meer te gaan leven.
Ik vind het ontroerend dat ze de moed hebben om dingen uit te
zoeken en meer verantwoordelijkheid nemen over hun leven. Want
daar gaat het vaak om. Ik reik alleen handvatten aan en
ondersteun ze in hun proces.”
Anne Benneker
|
|
Eeuwen gezondheidszorg
|
|
Het is misschien
aardig om wat van de lange, lange geschiedenis van de
“volksgezondheid” te vertellen. Dat was toevallig geen probleem
omdat hierover in huis een gedegen boekje rondzwierf, opgesteld
door een handvol professoren. Bij “volksgezondheid” moet u niet
direct denken aan de relatie van cliënt met arts, maar ook
denken aan de maatregelen van de overheid om de “gezondheid van
het volk” te verbeteren. Het zijn zaken als vaccinatie
programma’s, of de maatregelen van de overheid ingeval toch de
gevreesde vogelgriep zal ontstaan. Een andere maatregel van de
overheid is dus het nieuwe systeem van ziektekosten. Die
verzekering is dus nu verplicht, maar dat was vroeger beslist
anders.
|
|
De Middeleeuwen en
wat eeuwen daarna
Al in de
Middeleeuwen had de overheid beleid betreffende gezondheid en
volksgezondheid. Veel steden hadden gemeenteartsen in dienst en
er waren maatregelen. Zo had de stad Florence in 1127 een
maatregel dat vreemdelingen eerst veertig dagen in quarantaine
moesten. Het zal wel iets te maken hebben met de
verschrikkelijke pestepidemie in de Middeleeuwen, maar hoe dan
ook, ook toen hadden ze al door dat je eerst beter kon kijken of
iemand niet ziek was. Ook waren er gast- en godshuizen (lees:
ziekenhuizen) voor vreemdelingen/zieken/wezen. Na de
Middeleeuwen ontstond in de 18e eeuw de ‘medische
politie’, en deze organisatie hield onder andere bij de
geboortes en de sterfgevallen. Dat was dus de eerste statistiek
over gezondheid, en die wordt nog steeds nauwgezet bij gehouden.
Londen, omstreeks 1850
De uitvinding van de stoommachine resulteerde in de industriële
revolutie en deze bracht een enorme toename van de welvaart (en
trouwens ook een enorme toename van broeikasgassen en mondiale
temperatuurstijging). Die welvaart was verschrikkelijk ongelijk
verdeeld en in bijvoorbeeld Londen ontstonden zo bedompte
sloppen- en arbeiderswijken. Politiek radicale artsen stelden
maatregelen voor. De heersende medische opvatting was dat
“kwalijke dampen” de ziekten veroorzaakten. Nu dat het stonk is
wel voor te stellen: geen schoon water, geen riolering, geen
systematische afvoer van vuilnis (ik herinner me een foto van
Groningen uit 1900, waar een dood paard gewoon een paar dagen
dood in de straat lag), en de woningen waren donker, vochtig,
bedompt. Besloten is toen riolering aan te leggen, wat een mega
project was (zoiets als bijvoorbeeld de deltawerken bij ons).
Het idee van de “kwalijke dampen” was natuurlijk onzin, maar die
riolering bleek een gigantisch gunstig effect te hebben op de
volksgezondheid. Zo was er een enorm daling van infectieziekten
en sterfte.
Nederland, ongeveer 1900 tot nu
Andere
landen namen voortvarend de lessen van de Londense riolering ter
hand, maar in Nederland hadden we toen de gewoonte om het pas te
doen als iedereen het al lang deed. Het kwam in Nederland op
gang in de tijd van Thorbecke en toen is veel in de steigers
gezet. Kinderarbeid (dat wil zeggen: jonger dan 12 jaar) werd
afgeschaft, er kwamen bouwvoorschriften voor woningen (ze
moesten te ventileren zijn, en voldoende ramen hebben, want
kromgegroeide botten kwamen nogal voor omdat de kinderen
onvoldoende in de zon kwamen), drinkwater werd centraal geregeld
en aangemaakt en er werd riolering aangelegd. De maatregelen die
er vanaf 1900 genomen zijn, zijn werkelijk teveel om op te
noemen. Kinderarbeid, riolering, bouwvoorschriften en drinkwater
zijn al genoemd. Maar het pakket maatregelen omvat ook
consultatiebureaus, vaccinatie programma’s, de schooldokter, de
ARBO (bedrijfsveiligheid), het pakket in het ziekenfonds, GGD,
groene Kruis, verkeersregels (verkeersdoden!), ambulances,
fluoridering van drinkwater, vuilnis ophaaldiensten, enzovoort,
enzovoort. Zo van tijd worden er door het ministerie
doelstellingen geformuleerd. Tien jaar geleden waren een paar
van die doelstellingen om het aantal hart- en vaatziekten terug
te dringen, het aantal verkeersdoden te verminderen, en ook het
aantal zelfmoorden. De eerste twee zijn heel behoorlijk gelukt
maar het aantal geslaagde zelfmoorden is niet verminderd.
De resultaten
Het kan niet anders gezegd worden: al die inspanningen hebben
veel effect gehad, ook omdat natuurlijk de medische techniek
enorm is vooruitgegaan. In het boekje wordt in één zinnetje
terloops gemeld dat de mens de afgelopen 150.000 jaar gemiddeld
niet veel ouder werd dan 30 jaar. In 1850 was de leeftijd al
opgelopen tot zo’n 38 jaar. In Nederland is dat in 2000 al wel
78 jaar! Mondiaal zie je het patroon van de geschiedenis in
Europa: in arme landen sterf je aan infectie ziekten, in de wat
rijkere landen (zoals India en China) is er een overgangsfase
waar infectie ziekten geleidelijk “welvaarts” ziekten als hart-
en vaatziekten vervangen, en in de rijke landen zijn hart- en
vaatziekten de belangrijkste doodsoorzaak.
De voornaamste doodsoorzaak rond 1850 was ten gevolge van
infectie ziekten. Dat is wel een beetje te begrijpen. Er was nog
geen antibiotica, dus een beetje een forse snijwond was al gauw
dodelijk. En verder waren er in de winter niet zoveel verse
groenten en fruit. En daarmee werd een griepgolfje niet een
kwestie van een week in bed, maar al gauw een strijd op leven en
dood die vele slachtoffers kon vergen (die griepgolf dan, niet
de strijd).
Tegenwoordig zijn de belangrijkste doodsoorzaken hart- en
vaatziekten, gevolgd door kanker. Bij al die successen kunnen
toch kanttekeningen geplaatst worden. Behoorde Nederland in 1960
nog tot de top wat betreft levensverwachting, tegenwoordig zijn
we terug gezakt tot de middenmoot van Europa. En die nieuwe
zorgverzekering is ook maar afwachten, want niemand ontkent dat
het een ongewis avontuur is en in belangrijke mate wordt
ingegeven door de wens/noodzaak om te bezuinigen. En wat te
denken van de voedselbanken in Nederland? Het was iets van ver
voor de oorlog, maar tegenwoordig helpt prinses Laurentien op de
vrijwilligersdag MADD bij inpakken van voedselpakketten.
Ondervoeding verbetert beslist niet de gezondheid.
Karel Drabe
|
|
Schoolarts
|
|
Als de kinderen naar de basisschool gaan, is de periode van het
consultatiebureau voorbij en neemt de schoolarts het over.
Jaarlijks brengt de schoolarts een bezoek aan alle scholen.
Ongeveer 20 jaar geleden was het nog de gewoonte dat men eens in
de twee jaar kwam. En als er dan al iets bijzonders was dan werd
je door verwezen naar de huisarts. Tegenwoordig ligt dat wel wat
anders; er wordt heel veel voorlichting geven. De schoolarts
Corrie Pijper-Geertsema is sociaal verpleegkundige bij de GGD in
Groningen.
|
|
Als de schoolarts op
school komt krijgen de ouders eerst een brief met vragen
betreffende hun kind. Deze vragenlijst moet ingevuld en
ondertekend ingeleverd worden. In groep 3 komt er een
doktersassistent te wegen en meten en voor de ogen test en een
komt een logopediste te screenen. Dan komt de sociaal
verpleegkundige voor gesprekken met ouders; dat is tegenwoordig
verplicht.
Onderwerpen als tandverzorging, sociaal gedrag (heeft je kind vriendjes
en vriendinnetjes), waar kijkt je kind naar op televisie,
pesten, bedplassen, hoofdluis, gescheiden ouders (hoe gaan
kinderen hier mee om) komen veelal aan bod.
In groep 6 word de kinderen gemeten en gewogen en krijgen ze een
video te zien van Het Klokhuis over “dik zijn” en krijgen een
boekje mee naar huis.
Hoofdluis is ook zo’n gezellig onderwerp. Corrie Pijper liet mij
zien hoe die beestjes er uitzagen (wel dood hoor!). Het is geen
schande, maar het komt nog steeds zo af en toe voor. Ze vertelde
dat vroeger de schoolarts alle kinderen op school controleerden
en zo nodig behandelden. Nu hebben ze op de meeste scholen wel
een speciaal team (bestaande uit ouders) die hierop regelmatig
controleren.
De schooltandarts bestaat niet meer maar menig onder ons zal nog
wel weten dat 2x per de bus bij school verscheen. Je moest dan
om de beurt daar naar toe; voor velen zal dat niet zulke
prettige herinneringen oproepen. Het lawaai van de boren, de
strenge tandarts in de bus.
Heeft u vragen omtrent bepaalde onderwerpen wat betreft uw kind
kunt u altijd contact op nemen met de GGD in Groningen of u
kijken op www.ggdgroningen.nl.
Karla Postma
|
|
Door dik en dun...
Zelfstandig wonen
|
|
De oudste inwoner van
ons dorp wordt op 24 december 91 jaar! Het is mevrouw
Oudman-Huizenga die nog zelfstandig woont aan de Havenstraat in
Thesinge. Een huis met een prachtig uitzicht over de landerijen
en over het Maar en met een flinke tuin eromheen. Ze verbouwt er
nog aardappelen in en rooit ze ook zelf, waarna ze de grond
eigenhandig omspit. De laatste jaren verbouwt ze geen andere
groenten meer omdat ze bijvoorbeeld om de boontjes te plukken te
lang gebukt moet staan. Dat wil niet zo goed meer met de nieuwe
heupen. Wel snoeit ze de heg en maait regelmatig het gras. Ook
in huis houdt ze al het huishoudelijk werk zelf bij. Alles
gebeurt met een zekere routine en het enige lastige de laatste
tijd is de nieuwe wasmachine en stofzuiger die er moesten komen
omdat ze bijna tegelijk de geest gaven. “Ik doe de was sneller
met de hand en aan al die knopjes moet ik nog erg wennen.” Ook
eten koken gebeurt met beleid. De vriezer is goed gevuld en ook
verse groenten staan geregeld op het menu. Aaltje Mollema zet de
bestelde boodschappen zaterdags op het aanrecht en daar kan zij
zich de hele week mee redden. Voor de overige boodschappen
winkelt zij met haar dochter en man, die in Veenendaal wonen,
vrij regelmatig op Lewenborg en in geval van nood is er een zoon
in Farmsum of mevr. Groothof uit Thesinge.
|
|
Meer bewegen
Mevrouw Oudman komt zelf uit een gezin met acht
kinderen. Er is nog een broer van haar in leven en hij
is 82 jaar oud. Dat zij op deze leeftijd nog zo vitaal
zou zijn werd haar vroeger zeker niet voorspeld. Toen de
jongste van haar vier kinderen was geboren heeft ze qua
gezondheid een slechte tijd gehad. “Trombose was de
boosdoener. Dit kwam in vroeger tijd veel meer voor na
een bevalling doordat vrouwen veel langer moesten
blijven liggen. De oudste drie kinderen werden drie
maanden opgevangen door mijn ouders in Ten Post. Wij
woonden toen zelf op een gepacht bedrijf in Kommerzijl
en mijn man ging af en toe op de fiets naar Ten Post om
de kinderen te zien. Je accepteerde dit soort
moeilijkheden in het leven en paste je erbij aan. Een
buurman zei destijds tegen mijn man: ”Joen vraauw kin
nooit meer door dik en dun”. . . Als hij nu nog de ogen
kon openen dan zou hij verbaasd staan. |
|
 |
| |
|
Mevrouw Oudman. (Foto:
Wolter Karsijns) |
|
|
Het komt vast door
het vele werken wat ik gedaan heb. In mei volgend jaar woon ik
60 jaar in dit huis. We zijn in Thesinge begonnen aan de Dijk in
het huis waar Zwerver nu woont.”
Baker
Bij toeval rolde mevrouw Oudman in haar functie van baker in ons
dorp en omgeving. Ze werd gevraagd om de taak van een moeder van
een jonge vrouw over te nemen die een tweede kind verwachte. Zij
had de eerste bevalling van haar dochter bijgestaan maar wilde
dit niet nog een keer doen. “Als je zelf vier kinderen hebt dan
weet je genoeg om een ander te kunnen helpen tijdens de
bevalling. Daarna kwam ik voor de verzorging van moeder en kind
en voor de huishouding. Vrouwen werden in die tijd op bed
gewassen in de kraamtijd en moesten ’t heel rustig aan doen.
Tegenwoordig bevallen de meeste vrouwen in het ziekenhuis en
gaan meestal na een douche vrijwel direct weer naar huis. Daar
is dan de kraamverzorging die hetzelfde werk doet als ik vroeger
deed. Zo was ik in 1946 voor ’t eerst baker bij de familie
Plijter en in 1982 voor ’t laatst bij de familie van Houten.
Toen had ik precies 100 bevallingen bijgestaan. Van
Dorpsbelangen ontving ik toen een tinnen bord met inscriptie.”
Het boek met alle geboortekaartjes wordt uit de kast gehaald en
achterin staan alle data vermeld van de gezinnen waar mevrouw
Oudman gekraamd heeft.
Mooi en dankbaar werk
“De afspraken werden ruim tevoren gemaakt en het is slechts één keer
gebeurd dat ik op twee plaatsen tegelijk moest zijn. Er werd
namelijk een tweeling te vroeg geboren en iemand anders was over
tijd. Als je dan zelf ook een gezin hebt met jonge kinderen is
het passen en meten. Ook de situatie waarin de baby direct na de
geboorte naar het ziekenhuis moest en door de dokter werd
meegenomen in de auto herinner ik me nog goed. Het duurde voor
de moeder uren voordat het bericht kwam dat het kind ’t had
gered. Wachten tot de dokter arriveerde kwam destijds wel eens
voor en dan maar proberen de geboorte nog wat uit te stellen
door te zuchten en als het kind toch kwam dan vooral zorgen dat
het goed warm bleef. Verder mocht ik ook niets doen want ik heb
geen opleiding gehad in de kraamzorg. Van m’n 5e tot
m’n 12e ben ik naar school gegaan en daarna tot m’n
16e in de wintermaanden twee avonden per week naar de
avondschool. We leerden daar vooral handwerken, naaien en
verstellen en herhaalden wat taal en rekenen van de lagere
school.
Lezen en puzzelen
De kinderen, 8 kleinkinderen en 16 achterkleinkinderen wonen niet echt om
de hoek. Voor een deel ook in Canada zodat er
achterkleinkinderen zijn die mevrouw Oudman nog nooit heeft
gezien. “Met mijn verjaardag vraag ik tegenwoordig of ze niet
allemaal tegelijk willen komen. Door mijn gehoor kan ik in
groter gezelschap het gesprek niet meer volgen en heb ik er veel
meer aan als het wat verdeeld is. Ik verveel me gelukkig nooit.
Ik hou van kruiswoordpuzzels en lees graag een boek en de krant.
Elke dag lees ik Trouw en elke week krijg ik het regiogedeelte
van het Dagblad v/h Noorden. Het gaat me vooral om de
familieberichten. Elke middag kijk ik naar “the bold and the
beautiful” en daarna naar het journaal. Er zijn wel steeds
minder mooie programma’s maar daar zit ik niet echt mee. Ik vind
het heel fijn dat er zo vaak eens iemand voor de gezelligheid
aan komt. Ik zou zelf ook wel een loopje door het dorp kunnen
doen maar dat komt er niet van en bovendien loop ik liever de
Klunder in.
Truus Top
|
|
Het Badhuis
|
|
Toen we als
redactie van de G&T, onlangs het thema voor de decemberkrant
bespraken hoorde ik dat er nog niet zo erg lang geleden, in
Garmerwolde een badhuis was. Nooit geweten, . . . . en al
helemaal nooit geweten dat dit badhuis in het “Oude
Groenekruisgebouw” gevestigd was en dat Aaltje Reinders destijds
de beheerster was. Tijd dus om eens even een praatje te maken
met Jo Reinders. Dan kon ik meteen ook even zien waar Jo nu
woonde want Jo is aan het eind van de zomer verhuisd van
Garmerwolde naar Ten Boer. Zo gezegd zo gedaan. Dus op een
dinsdagochtend, een paar weken geleden, was ik aan de Marskramer
te gast bij Jo Reinders. De dochter van Jo, Wilma, was er ook en
onder het genot van koffie met koek vertelden zij hoe het zat
met het badhuis.
|
|
Aaltje, de
vrouw van Jo werd in 1960 door het bestuur van Het
Groene Kruis, afdeling Garmerwolde en Thesinge,
aangesteld als beheerster van het toen gloednieuwe
Groenekruisgebouw. Dat gebouw was gebouwd op de hoek van
de Dorpsweg – Hildebrandstraat; de familie Verbree woont
er nu.
Het Groene Kruis, afdeling Garmerwolde en Thesinge, was
een geheel zelfstandige vereniging en de faciliteiten
die Het Groene Kruis bood waren ook alleen maar bestemd
voor de Garmerwolders en Thesingers die lid waren. Maar
lid was vrijwel iedereen in die tijd.
De familie Reinders woonde op de bovenste etage van het
gebouw. |
|
 |
| |
|
Op douchen zonder kaartje stond een zware boete
(Foto: famile Verbree / Henk Vliem) |
|
|
Beneden waren de
douchehokjes (zes stuks), een wachtkamer, enkele ruimtes voor
het consultatiebureau en een opslagruimte voor alle spullen die
de Thesingers en Garmerwolders tegen een kleine vergoeding
konden huren, zoals bedden op hoge poten, ondersteken,
weegschalen, zeiltjes voor op de matras enzovoort.
Elke woensdag- en vrijdagavond en op zaterdagmiddag kon er
gedoucht worden. In het begin van de zestiger jaren kwamen elke
keer wel zo’n veertig á vijftig dorpelingen douchen. Sommige
klanten kwamen elke week. Anderen een keer per twee weken of
onregelmatig. Net hoe dringend men aan een douchebeurt toe was.
Ook kwam de ene badgast met een setje schoon ondergoed naar het
badhuis terwijl een ander na het douchen gewoon weer in de
onderbroek stapte die hij al minstens een week aan gehad had.
Jo: “Een klant uit Thesinge wisselde dat af. De ene week wel
schoon ondergoed, de andere week weer in het vuile spul. Dat
kwam, vertelde de Thesinger eens aan Jo, omdat de hospita maar
eens per twee weken zijn onderbroek wenste te wassen”. Handdoek
en zeep moest je zelf meenemen. Je betaalde contant per
douchebeurt, je nam een knipkaart of je had een abonnement. Op
clandestien douchen stond een hoge boete: wel tweeënhalve
gulden.
|
Aaltje, de
vrouw van Jo werd in 1960 door het bestuur van Het
Groene Kruis, afdeling Garmerwolde en Thesinge,
aangesteld als beheerster van het toen gloednieuwe
Groenekruisgebouw. Dat gebouw was gebouwd op de hoek van
de Dorpsweg – Hildebrandstraat; de familie Verbree woont
er nu.
Het Groene Kruis, afdeling Garmerwolde en Thesinge, was
een geheel zelfstandige vereniging en de faciliteiten
die Het Groene Kruis bood waren ook alleen maar bestemd
voor de Garmerwolders en Thesingers die lid waren. Maar
lid was vrijwel iedereen in die tijd.
De familie Reinders woonde op de bovenste etage van het
gebouw.
Beneden waren de douchehokjes (zes stuks), een
wachtkamer, enkele ruimtes voor het consultatiebureau en
een opslagruimte voor alle spullen die de Thesingers en
Garmerwolders tegen een kleine vergoeding konden huren,
zoals bedden op hoge poten, ondersteken, weegschalen,
zeiltjes voor op de matras enzovoort.
Elke woensdag- en vrijdagavond en op zaterdagmiddag kon
er gedoucht worden. In het begin van de zestiger jaren
kwamen elke keer wel zo’n veertig á vijftig dorpelingen
douchen.
Sommige klanten kwamen elke week. Anderen een keer per
twee weken of onregelmatig. |
|
 |
| |
|
Aaltje Reinders
(Foto: Henk Bouchier / familie Reinders) |
Net hoe dringend men aan een douchebeurt toe was.
Ook kwam de ene badgast met een setje schoon ondergoed naar het
badhuis terwijl een ander na het douchen gewoon weer in de
onderbroek stapte die hij al minstens een week aan gehad had.
Jo: “Een klant uit Thesinge wisselde dat af. De ene week wel
schoon ondergoed, de andere week weer in het vuile spul. Dat
kwam, vertelde de Thesinger eens aan Jo, omdat de hospita maar
eens per twee weken zijn onderbroek wenste te wassen”. Handdoek
en zeep moest je zelf meenemen. Je betaalde contant per
douchebeurt, je nam een knipkaart of je had een abonnement. Op
clandestien douchen stond een hoge boete: wel tweeënhalve
gulden.
Jo zorgde voor de warmwatervoorziening. Hij zorgde dat er altijd
een voldoende voorraad gas was en dat de boilers op een goede
temperatuur stonden.’s Winters als het glad was of als er veel
sneeuw lag kon de bevoorrading met nieuwe gasflessen wel eens
problematisch worden, want de flessen werden door de leverancier
op de hoek Rijksweg – Dorpsweg neergezet. Voor vervoer naar het
Groenekruisgebouw moest Jo maar zorgen.
|
 |
|
In het begin
waren er dus genoeg klanten. Ook wel begrijpelijk want
vrijwel niemand had thuis een douche in die jaren. Soms
zelfs geeneens stromend water. Men waste zich in een
teil, eens per week, en vaak het hele gezin met dezelfde
teil warmwater. Of iets luxer: het huis had een lavet en
men waste zich daarin. Gaande de zestiger jaren kregen
steeds meer gezinnen zelf een douche in huis en liep de
klandizie bij het badhuis terug. Reden om in 1968 te
stoppen met deze voorziening. Ongeveer tegelijkertijd
verhuisde de familie Reinders naar de Dorpsweg. |
|
Jo Reinders. (Foto: Henk Remerie) |
|
|
Het
Groenekruisgebouw heeft nog een tiental jaren gefunctioneerd als
consultatiebureau en uitleenpunt. In 1979 werd het verkocht aan
de familie Verbree, die het Groenekruisgebouw verbouwde tot een
geriefelijk woonhuis.
Toen ik Jo vroeg naar een paar bijzonderheden of leuke dingen
aangaande het badhuis vertelde hij dat dokter van de Werf een
tijdje zijn spreekuur in het Groenekruisgebouw heeft gehouden.
Dat was toen de praktijkruimte in het doktershuis verbouwd werd.
Een andere gebeurtenis die hem bijgebleven is, was dat er op een
avond in een der douchehokjes een dikke drol in de afvoergoot
lag. Jo weet nu nog precies wie die viezerd was. “Verder had je
toen ook al gluurders”, zegt Jo. “Op een gegeven moment werd er
een dorpsgenoot met een spiegeltje betrapt waarmee hij de dame
begluurde die in het hokje naast hem stond te douchen”.
Henk Vliem
|
Ziekenfonds Garmerwolde
|
|
Eind jaren
negentig van de negentiende eeuw, op donderdag 23 april 1896 om
precies te zijn, werd in de school de oprichtingsvergadering van
het “Ziekenfonds Garmerwolde” gehouden. Misschien was dit wel
het eerste ziekenfonds in Nederland, en zo nee: dan zeker wel
één der eerste. Het initiatief tot oprichting van dit onderlinge
ziekenfonds kwam van de Landbouwvereniging Garmerwolde. Het
ziekenfonds had als doel om aan de leden bij ziekte een
wekelijkse uitkering te verstrekken. De hoogte van de uitkering
bedroeg toen ongeveer één gulden per week. En voor vrouwen nog
iets lager zelfs.
|
|
Nu kun je je
nauwelijks voorstellen hoe het geweest moet zijn als je,
arbeider zijnde, in die tijden een paar weken ziek werd.
Dan moest je jezelf maar zien te redden en was je
overgeleverd aan de welwillendheid van je baas of van de
Diaconie. In die tijden bestond er namelijk nog geen
Ziektewet die voor een arbeider een wettelijke uitkering
regelde. Ook was er geen CAO die zorgde dat de uitkering
door de werkgever tot honderd procent van het loon werd
aangevuld. En er was al helemaal geen Vangnetvoorziening
Ziektewet voor uitzendkrachten, freelancers enzovoort.
Er was, in
1896, dus meteen interesse voor dit initiatief van de
landbouwvereniging. Op de oprichtingsvergadering waren
23 personen aanwezig. Het eerste bestuur bestond uit de
heren: W. F. Hildebrand, P. Stollenga, G. J. F. Keiser,
H. J. Wigboldus en H. W. Groeneveld. Om lid van het
ziekenfonds te kunnen worden was eenmalig een inleg van
75 cent vereist en vervolgens betaalde men contributie.
De eerste paar jaar bedroeg de contributie 15 cent.
Verder kende het ziekenfonds zogenaamde “Begunstigers”.
Die betaalden een vrijwillige bijdrage in de orde van
zo’n één á twee gulden. Daarnaast was er een (forse)
jaarlijkse bijdrage van de Diaconie en van de
Landbouwvereniging. Het jaar erop had het fonds al 78
leden en 41 begunstigers. Het fonds draaide toen al
positief en had zelfs al een reservepotje op de bank
staan.
Eén en ander valt te lezen in de notulen van de
vergaderingen. Jan Wigboldus maakte me attent op het
bestaan van die notulen. |
|
 |
| |
|
Aankondiging Feestelijke Jaarvergadering 1917 |
|
|
Hij heeft ze van zijn
vader in beheer gekregen, en die kreeg ze weer van zijn vader
enzovoort. In een dik cahier staan de notulen van ruim dertig
jaarvergaderingen en enkele lijstjes zoals de “Lijst van
Begunstigers” en een rooster van aftreden voor het eerste
bestuur. De notulen bevatten altijd een financiële
verantwoording voor het afgelopen jaar en verder laten ze zien
wat er in die dagen zoal speelde. Omstreeks de jaren twintig
maakte men zich druk om de komst van een (vernieuwde) Ziektewet.
Er bestond namelijk al sinds 1913 een voorloper (Regeling der
Arbeiders Ziekteverzekering). Het nieuwe wetsvoorstel op zich
was niet zozeer het probleem maar men voorzag een enorme
bureaucratisering. Dat betekende ambtenaren die zich fulltime
met de uitvoering bezig zouden gaan houden. En dat betekende
weer hogere contributies want die ambtenaren moesten ook betaald
worden. En verder zou de contributiehoogte ook beïnvloed worden
door het ziektepatroon (slechte leefgewoonten) elders in het
land. Vergeleken met Noord Holland bijvoorbeeld bedroeg de
contributie in Groningen ongeveer de helft.
Het Ziekenfonds
Garmerwolde had zich in die jaren inmiddels aangesloten bij de
Provinciale Groninger Bond van Ziektekassen en Ziekenfondsen
(7800 leden bij 63 locale fondjes). Deze PGBZ was op haar beurt
weer aangesloten bij het Nederlands Verbond van Ziektekassen en
Fondsen te Den Haag. Samen sterk dus richting de overheid in de
onderhandelingen over de ziektewet.
De Jaarvergaderingen
van het Ziekenfonds Garmerwolde waren in die tijd altijd
Feestelijke Jaarvergaderingen, zo blijkt uit de notulen. Deze
vergaderingen werden in het café gehouden, althans de eerste
vijfentwintig jaar. Na afloop van het officiële gedeelte volgde
(een aantal jaren lang) een toneelvoorstelling van het
gezelschap Polyhymnia. Eén der hoofdrolspelers van dit
gezelschap was meester W.F. Hildebrand (het is dus niet
verwonderlijk dat altijd Polyhymnia optrad op die feestelijke
jaarvergaderingen). Deze feestelijke jaarvergaderingen werden
altijd druk bezocht, ook door niet-leden.Volgens de notulen
werden die vergaderingen meestal “leuk laat” en “heel gezellig”.
Vanaf 1921 werd er in de school vergaderd en werd het
feestelijke gedeelte geschrapt. De belangstelling voor de
vergaderingen halveerde prompt.
Henk Vliem |
|