|
|
|
Maandelijks Nieuwsblad voor Garmerwolde Thesinge en
omstreken
33e jaargang december 2007 |
|
Kom met verhalen
|
|
“En het geschiedde in die
dagen”. Een overbekende zin uit het kerstverhaal. Eeuwen geleden door
schrijver Lucas op papier gezet. Eeuwenlang wereldwijd gelezen tijdens
de kerstnachtdiensten. Gelezen in allerlei talen en in talloze landen.
Wonderlijk hoe dit verhaal zijn loop heeft genomen in de
wereldgeschiedenis. Hoe dit verhaal de verbeeldingskracht oproept van
mensen. Want niet alleen in woorden is dit verhaal doorverteld. Ook in
beelden. Denk aan een kerststal, muziek, schilderijen, de symboliek van
kaarsen en bloemen.
Deze kerstkrant staat vol met verhalen. Vol van verhalen van mensen die
iets hebben met taal. Taal als instrument om te communiceren.
Communiceren met de ander, maar ook met jezelf.
|
Wie ben je?
Als iemand vraagt wie je bent, kom je met het verhaal van je
leven op de proppen. Meestal een klein deeltje met wat
wapenfeiten. Als je iemand beter leert kennen en vertrouwen,
vertel je ook de meer intiemere zaken. Op kruispunten in het
leven helpt het om je levensverhaal op te schrijven. Het kan
helpen om de rode draad in je leven te ontdekken. Om, als je de
draad kwijt bent geraakt, deze weer op te pakken. |
|
 |
| |
|
De levende kerstal van de Koningsheert in
Garmerwolde met de bedenker Ruud Delissen met zijn vrouw Dienke.
(Foto: Ton Bouchier) |
|
|
In het verpleeghuis waar ik
werk wordt gestreefd naar het geven van belevingsgerichte zorg. Daarom
wordt samen met nieuwe bewoners en hun familie een levensboek ingevuld.
Een boek over het leven van de bewoner. Over belangrijke gebeurtenissen,
afgewisseld met het alledaagse uit vroeger tijden. Om vast te leggen wat
er toen was en nu niet meer is. En het helpt de verzorgenden en naasten
om de bewoner beter te begrijpen. Om met de demente bewoner mee terug te
gaan in de kindertijd.
|
Jaarwisseling
Tijd
van verhalen en mysteries
met diepere
betekenis
Tijd van
gevoelens
als geluk,
warmte, maar ook gemis
Tijd van
wachten op het nieuwe
jaar avond
van knallen en zingen
Tijd van
goede voornemens
hoop op goede
dingen
Tijd voor een
heel gelukkig Nieuwjaar
Dat is onze wens aan u allen voor het komende
jaar
De redactie van de G&T Express.
|
|
Men neme
Sommige mensen zijn er een hele tijd mee bezig: Wat eten we met
de kerst en met wie? Ideeën worden opgedaan door het raadplegen
van kookboeken en het uitwisselen van recepten. Daarna worden de
inkopen gedaan en de gasten uitgenodigd. Handige mensen hebben
een goed kookscenario in hun hoofd en bereiden een tot in de
puntjes verzorgde maaltijd. Uiteindelijk worden alle
ingrediënten, fraai vormgegeven, gepresenteerd op een mooi
gedekte tafel. Minder handige, of gewoon praktische, mensen
laten de maaltijd bezorgen of koken een stamppotje. Niet minder
lekker, maar anders. Een kaarsje en een goed glas wijn op tafel
maken het al gauw gezellig en feestelijk.
|
Een kwestie van keuzes maken.
Inspelen op de omstandigheden of je eigen mogelijkheden.
Beelden en vormen
Het schrijven van een verhaal lijkt wel op het samenstellen van een
kerstmenu. De ingrediënten zijn er. Letters, woorden, ervaringen,
personages. Nu komen de dilemma’s. In welke vorm ga je het verhaal
gieten? Waar laat je jezelf door inspireren? Wat wil je nu precies
vertellen en aan wie? Hoe maak je van een brij van woorden een logisch
verhaal? Sommige mensen hebben de gave gekregen én ontwikkeld om, door
met al deze vragen en ingrediënten te stoeien, uiteindelijk een fraai
vormgegeven verhaal of boek te presenteren. Anderen láten het doen en
huren een tekstschrijver of bureau in om hun verhaal of boodschap te
vertolken. Het verhaal wordt kracht bijgezet door fraaie illustraties
en/of foto’s. En voor mensen die nog niet, niet meer of moeilijk kunnen
lezen is een beeldverhaal met weinig tekst een prachtig middel om
verhalen te laten leven.
In de G&T express staan
verhalen. Verhalen van mensen uit onze eigen omgeving. Soms geschreven
door de mensen zelf. Meestal vertolkt door één van onze schrijvers.
Gelukkig is het gelukt om ook dit jaar elke maand weer een krant uit te
geven. Dankzij de abonnees en de adverteerders die het financieel
mogelijk maakten. Dankzij de dorpsbewoners die hun verhaal hebben
toevertrouwd. En dankzij schrijvers, fotografen, redactieleden en de
drukker die deze verhalen hebben vormgegeven.
Roelie
Karsijns-Schievink
|
|
"In de mensen een welbehagen..."
Een verhaal
|
|
Van oudsher, van lang vóór
de christelijke jaartelling, is Kerstmis, zonnewende, een feest van eten.
Als je in het diepst van de winter, in de duisterste dagen van het jaar,
je voorraden ruimhartig durft aan te spreken, dan misleid je de goden en
komt er later in de winter geen schaarste - dat was de gedachte. Magisch
denken. "In de mensen een welbehagen..." Maar dan moet je wel eten
hébben, natuurlijk.
Na een lange zwerftocht was
ik in december 1965 in Singapore aangekomen. Daar klopte ik bij de
havenpolitie aan om onderdak, en ik werd gastvrij ontvangen: ik mocht
wel op zolder slapen. Daar stonden een paar planken op schragen, waarop
zij zelf 's middags ook wel eens rustten. Maar ik moest wel eerst met
elke plank stevig op de grond stampen, zeiden ze. Nou ja, een of ander
Chinees of Maleisisch bijgeloof, dacht ik - vast iets met boze geesten
of zo - dus ik lachte en zei: "Ja, natuurlijk!", maar ik trok me er
niets van aan en sliep prima.
De volgende ochtend stond er brood met thee voor me klaar - Oosterse
gastvrijheid, die ik trouwens niet alleen in het Oosten, maar over de
hele wereld heb mogen ondervinden.
"En, goed geslapen?"
"Jazeker!"
"Flink gestampt zeker?"
"Eh, nou nee, eigenlijk niet, nee."
Nou, dat vonden ze wonderbaarlijk! Ik moest wel een heel dikke huid
hebben, want als zij die planken niet afstampten, werden ze levend
opgevreten door de wandluizen: die rustbedden zaten er vol mee. Was ik
echt niet gebeten? Nee, echt niet - maar dat stampen was dus geen
kwestie van bijgeloof geweest.
Ik was al jaren van huis,
mijn ouders waren oud en eenzaam, en het werd tijd om weer eens naar
Amsterdam terug te gaan. Maar ja, vliegen kostte duizenden guldens,
varen was haast even duur, en in de havens van Bangkok of Singapore kon
ik geen schip vinden waarop ik werken mocht om de overtocht te verdienen:
ze waren wel allemaal onderbemand, maar in mijn fonkelnieuwe
zeemansboekje ontbrak elke ervaring, dus geen kapitein durfde het met me
aan. Overdag zat ik dus maar in de tropenzon op het dak te bakken, en 's
avonds zwierf ik een beetje door de havenbuurt en kocht voor veertig
cent per keer mijn enige maaltijd van de dag bij een van de Chinese
stalletjes op de markt langs de havenkade. Maar na een tijdje raakte ik
wel uitgekeken op Singapore, en de havenpolitie op hun ongenode gast.
Mijn beetje geld zag ik dagelijks slinken, werk was niet te vinden, en
ik wilde eigenlijk toch echt wel naar huis. Dan maar hulp vragen op het
Nederlands consulaat.
Het kostte wel enige overredingskracht voordat ik ze op het consulaat
zover had dat ik op het eerstvolgende Nederlandse vrachtschip naar huis
mocht als consulair passagier, als ik geen duizenden, maar wel
honderdtachtig gulden kon betalen. Ik kon dan aanspraak maken op een
kooi en maaltijden, mocht niet klagen over kwaliteit, behandeling,
omwegen of vertragingen, maar kwam wel van Singapore naar Rotterdam. Nou,
graag natuurlijk: ik had dan net genoeg over voor mijn treinreis naar
Amsterdam, en dat was alles wat ik nodig had. En drie maaltijden per dag,
die had ik in lange tijd niet genoten.
Maar het werd zelfs beter
toen ik eenmaal aan boord van de Roebiah was, een stoomschip op de wilde
vaart, al anderhalf jaar van huis, en nu op weg van Noord-China naar
Nederland. Er waren maar drieëntwintig man aan boord, terwijl het er
eigenlijk vijfenveertig moesten zijn. Ga je dan als enige een hele maand
lang tussen drieëntwintig hard werkende kerels op je kont zitten, zonder
een cent voor een biertje of een pakje sigaretten, voor alles
afhankelijk van die werkers, maar zonder iets uit te voeren? Nee toch?
"Wil je werken?"
"Natuurlijk wil ik werken. Maak mij maar lichtmatroos, of hoe dat heten
mag."
"Nou, matroos, aan dek, dat mag niet. Ga maar naar het kombuis. Je bent
koksjongen."
En zo was ik dus koksjongen
op de wilde vaart. In de nacht van 24 op 25 december voeren we uit, en
op eerste kerstdag om zes uur 's ochtends begon mijn dienst.
"Laat maar zwemmen", zei de kok - de chef-kok zei niks.
Dat betekende dat ik alles wat er nog in de pannen stond van de vorige
avond overboord moest gooien. Dat waren aardappeltjes, spercieboontjes
en gebakken niertjes, en niets daarvan heeft de zee gehaald: ik gunde
het de vissen niet en wist er wel weg mee, aan de reling staand. Toen
moest het ontbijt geserveerd worden, en toen de lunch klaargemaakt, en
toen het avondeten. Een kerstdiner hebben we bereid, met ons drietjes,
een verrukkelijk feestmaal, met alles erop en eraan: garnalencocktails
vooraf, pudding met slagroom toe, aardappelen, groenten, appelmoes, en
als hoofdgerecht 48 prima biefstukjes. Twee biefstukjes de man, en voor
mij dus ook twee.
Maar niet iedereen lust graag biefstuk, en zeker geen twee. Zes man
lieten een biefstukje staan, en voordat ik, na zestien uur keihard
werken, 's avonds doodmoe het door mij brandschoon geschrobde kombuis
uit mocht om als een blok in mijn kooi te rollen, kreeg ik nog een
opdracht:
"Laat maar zwemmen, die biefstuk!"
En toen had ik dus vóór het slapen gaan nóg zes biefstukjes, met een
flesje bier dat ik van de chef-kok gekregen had. Kerstmis 1965. "In de
mensen een welbehagen..."? Nou, in mij zéker!
Rudy
Bremer
|
|
Als taal een probleem is
Anki
Boekholt geeft les aan laaggeletterden
|
|
Een
boodschappenbriefje schrijven, een formulier invullen of je kind
voorlezen. Je doet het automatisch. Maar voor ongeveer 1,5
miljoen mensen in Nederland is dat helemaal niet zo
vanzelfsprekend. Zij hebben grote moeite met lezen en schrijven
en daardoor functioneren ze minder goed in het dagelijks leven
of op hun werk. Anki Boekholt uit Garmerwolde werkt op het
Noorderpoortcollege en geeft daar les aan verschillende groepen
laaggeletterden. |
|
 |
| |
|
Anki Boekholt (foto: Henk
Remerie) |
|
|
De cijfers
Van die 1,5
miljoen mensen is een deel (250.000) vrijwel geheel ongeletterd of
analfabeet. Zij kunnen dus niet of nauwelijks lezen en schrijven. De
overigen zijn laaggeletterd: zij hebben wel leren lezen, schrijven en
rekenen, maar beheersen deze vaardigheden onvoldoende. In tegenstelling
tot wat de meeste mensen denken, is het merendeel van hen in Nederland
geboren. Er zijn naar schatting 1 miljoen autochtone en 500.000
allochtone laaggeletterden. In de provincie Groningen gaat het om
ongeveer 45.000 mensen.
Prinses Laurentien helpt
Laaggeletterdheid
is dus een groot probleem, dat des te moeilijker aan te pakken is omdat
mensen zich ervoor schamen. Anki heeft wel het idee dat het werk van
prinses Laurentien helpt. Prinses Laurentien is voorzitter van de
Stichting Lezen & Schrijven, die het probleem bespreekbaar maakt en
werkt aan oplossingen. “Mensen melden zich zelf aan voor de cursus, meer
dan vroeger”, is haar ervaring. De groep waaraan zij lesgeeft, is heel
divers. “Er zitten mensen in die zeer laagopgeleid zijn naast mensen met
een leerstoornis. Oudere mensen, die door hun ouders van school zijn
gehaald - ‘Kom jij maar op de boerderij werken’ - maar ook jongeren die
problemen hebben gehad op school. Ook het niveau is verschillend. Voor
sommigen is het een probleem om post te herkennen. Wat is reclame, wat
is een bankafschrift, wat moet je bekijken en wat kun je weggooien. Een
ander kan wel spellen, maar is bang spelfouten te maken. En weer een
ander ziet het lezen en schrijven als een probleem, maar dan blijkt het
heel erg mee te vallen als hij eenmaal aan de gang is. Wie echt goed
bezig is, élke dag een kwartier oefent met lezen en een kwartier met
schrijven, kan een eind komen in een jaar. Maar dat is niet voor
iedereen weggelegd.”
Het is soms even diep zuchten als je begint, maar dan is het eigenlijk
heel leuk, zegt Anki over het lesgeven. “Er zitten wel mensen bij die
veel persoonlijke aandacht vragen. Maar het is meestal ook heel gezellig.
Zo ervaren de cursisten dat ook.
Het is natuurlijk vooral mooi om te zien dat mensen vorderingen maken;
dat iemand die niet kon schrijven nu schrijfletters en computerletters
onderscheidt en hele teksten overtypt.”
Werken met handen en voeten
Stel je voor dat
je in China komt; je kunt de opschriften niet lezen, de klanken niet
verstaan. Dat moet ongeveer zijn wat de jonge Somaliërs ervaren uit de
groep van de inburgeringscursus die Anki ook begeleidt. “Als je goed
bent opgeleid, weet je hoe je een taal moet leren. Maar we hebben hier
ook mensen, die door de oorlog geen of hooguit twee jaar school gehad
hebben en dus in hun eigen taal ook analfabeet zijn. Dat is in het begin
echt handen- en voetenwerk. Soms fungeert een andere cursist als tolk.
Wat je ervaart en ziet, blijft beter hangen. We beginnen het
taalonderwijs daarom met de Total Physical Response-methode. Je zegt
bijvoorbeeld ‘staan’ of ‘pak die tas’ en doet dat dan ook. Stel je maar
eens voor dat je zelf zo Chinees leert; de leraar uit een paar Chinese
klanken en gaat staan. Na een tijdje weet je dat die klanken betekenen
dat je moet gaan staan.”
Al snel gaan deze cursisten stage lopen om werkervaring op te doen. Anki:
“Ze komen dan soms terug met Groningse uitdrukkingen als ‘goud’ en ‘ach
mien laiverd’.
Veel mannen en jongens willen graag vrachtwagenchauffeur of automonteur
worden. Maar ik moet ze uitleggen dat dat niet kan. Sleutelen aan een
auto gebeurt nauwelijks meer. Alles gaat tegenwoordig met elektronica en
daarvoor moet je ingewikkelde handleidingen kunnen doorlezen. Dat blijkt
voor de meesten niet haalbaar. Ik ben nu bezig om iemand te helpen met
de opleiding magazijnmedewerker. Je komt woorden tegen als ‘voorraadbestandsnauwkeurigheid’.
Nou, ga er maar aan staan!”
Wilt u meer weten? Of kent u iemand die een lees- of schrijfcursus wil
volgen? Neem contact op met het Noorderpoortcollege in Appingedam of
Winsum. Bel 0596-692961 / 0595-441414 of kijk op
www.noorderpoortcollege.nl.
Anne
Benneker
|
|
Leren en illustreren
In hun werk hebben Marleen
Zuidema en Tineke Meirink dagelijks te maken met lezen en schrijven .
Maar wel op een heel andere manier. Marleen Zuidema is leerkracht OBS
Garmerwolde groep3, 4 en 5 en Tineke Meirink is illustrator.
Ze interviewen elkaar.
|
Tineke heeft een paar vragen voor Marleen.
Wanneer beginnen kinderen eigenlijk met lezen en schrijven?
De kinderen beginnen meestal met lezen en schrijven aan het eind
van groep 2 begin groep 3. Er zijn natuurlijk uitzonderingen,
maar over het algemeen...
Waar start je mee in de klas, met lezen of schrijven?
Meestal begin je al vrij snel met het aanbieden van boekjes, dit
gebeurt vaak al in de thuissituatie. Het eigenmaken van
leesstrategieen zoals bijvoorbeeld een boekje lezen van voor
naar achter en regels lezen van links naar rechts zijn de eerst
beginselen. Schrijven begint ook al vrij vroeg met verschillende
tekenlijnen.
Leren
ze lezen en schrijven enkel uit schoolboeken of ook op andere
manieren?
Kinderen
leren niet alleen uit de methode, er zijn in hun omgeving veel
verschillende prikkels (denk hierbij aan tv, boodschappen e.d.)
Vanaf groep 3 heb je vaak wel een methode.
Wij gebruiken de methode ‘veilig leren lezen’. De meeste mensen
kennen dit als 'maan, roos, vis'. Uiteraard zijn er nu alweer
nieuwere versies. Hierbij worden veel verschillende hulpmiddelen
gebruikt, zoals de computer, differentiatie in verschillende
werkboekjes, klik-klakboekjes, stempelen en de letterdoos. |
|
 |
| |
|
Marleen Zuidema (foto:
Ad-Jan van Larsdonk) |
|
|
Kun je
iets vertellen over de term AVI-niveau's?
De term AVI is een bepaald niveau van kinderen die ze hebben op het
gebied van lezen. Hierbij gaat het om het correct lezen van woorden en
zinnen en het tempo. Je begint bij niveau 1 en als je helemaal op niveau
zit heb je niveau 9. Dit hebben de meeste kinderen bereikt in groep 6/7.
Wordt er op de OBS Garmerwolde naast technisch goed leren schrijven
ook aan creatief schrijven gedaan?
In ons geval begint dat in groep 3, dit zit binnen de methode veilig
leren lezen. In latere groepen komt het vooral in de taallessen naar
voren. Meestal zijn er in het schooljaar ook projecten, en de
kinderboekenweek waarbij dit tot uiting komt.
Wil je nog iets toevoegen?
Er is niet altijd een exacte leeftijd om aan te geven wanneer kinderen
gaan lezen. Vaak heeft het ook niet veel nut om kinderen te dwingen om
te gaan lezen, dit gaat ten koste van het leesplezier. Kinderen geven
vaak zelf wel aan wanneer ze er aan toe zijn, en voor de ene zal dat 3
jaar zijn en de andere als die 6 is. Maar het komt vanzelf.
|
Dan heeft Marleen ook nog een paar vragen voor Tineke.
Je tekent voor verschillende methoden en hebt verschillende
opdrachten, is het voor jou makkelijk om je stijl aan te passen
of gebruik je vaak dezelfde stijl?
Nou, ik heb toch wel een herkenbare, eigen stijl. Het is wel zo
dat ik veel met materialen experimenteer. Maar je kunt toch
altijd wel zien dat ik het heb gemaakt.
Teken
je voornamelijk voor kinderen of ook voor volwassenen?
Ik teken
voornamelijk voor kinderen.
|
|
 |
| |
|
Tineke Meirink (Foto:
Karla Postma) |
|
|
In
hoeverre is tekst belangrijk in jouw werk?
Teksten zijn
altijd het uitgangspunt voor mijn illustraties. Eerst is er tekst, of
het nu om educatieve uitgaven, prentenboeken, puzzeltjes in
tijdschriften of televisie gaat. En naar aanleiding van die tekst, maak
ik een illustratie. Soms maakt die tekst ook deel uit van het beeld. In
prentenboeken zie je dat wel. Ik vind dat mooi wanneer tekst en beeld
samenkomen en elkaar versterken.
Je hebt
een boekje uitgebracht, heb je de tekst ook zelf verzonnen of heeft
iemand anders dat gedaan?
‘Druk druk druk’
heb ik zelf geschreven. Al is ‘geschreven’ wel een groot woord aangezien
er per spread maar één regel tekst is. Maar je moet ergens beginnen.
Toch ben ik meer illustrator dan schrijver. Dat heb ik wel ontdekt.
Waar
haal jij je inspiratie vandaan?
Muziek. Ik
luister altijd naar muziek als ik aan het werk ben. En uit de winkel van
mr. en mevr. Flokstra. Al die verschillende soorten papier, geweldig. Ik
zou alles wel willen kopen. Maar het komt toch meestal neer op gewoon
aan het werk gaan en aldoende ideeen krijgen.
Je staat
nu zelf ook voor de klas, is de creativiteit van de kinderen ook anders
dan een aantal jaren geleden?
Dat zou ik niet
weten, want ik ben nog maar sindskort een bik’er (bik staat voor
beroepskunstenaar in de klas). Maar de creativiteit verschilt wel veel
per school. Je merkt dat op scholen waar veel aandacht is voor creatieve
vakken, kinderen zich over het algemeen veel makkelijker uiten dan
wanneer dat niet zo is.
Is er
iets wat je heel erg graag nog een keer zou willen doen, waar je tot nu
toe nog geen kans voor hebt gehad op het gebied van creativiteit?
Zoveel. Tekenen
voor andere doelgroepen, animaties maken, Gouden Penseel winnen (met een
Zilveren ben ik ook blij), experimenteren met druktechnieken,
atelierworkshops geven (en dus een groter atelier hebben), samenwerken
met mijn zus die fotografe is, een succesvolle webwinkel opzetten…ik
droom nog even verder.
Marleen Zuidema en Tineke Meirink
|
|
De Digitalewereld stap voor stap
|
|
Russisch, Grieks, Engels,
Fins, Gebaren, Fries, het zijn allemaal officieel erkende talen (van
Fries weet ik het niet helemaal zeker, maar daar ga ik dan nu maar even
vanuit). Sms-taal is echter niet wettig erkend en lang niet iedereen
weet wat het is. Gelukkig ben ik hier om u daar eens even flink wat over
te gaan vertellen. Dolletjes.
|
|
Heel, heel lang geleden is
sms-taal ontstaan, toen men in Nederland rond 1994 de mobiele telefoon (nog
wel met antenne, maar zonder snoer) uitvond en verkopen ging. Met die
telefoons kon de communicatieve mens bellen (duh) én bovendien sms’en.
sms-be·richt (het
~)
1
kort bericht verzonden met een mobiele telefoon [short message service]
=> sms'je
Sms’en is goedkoop (ongeveer
9 cent per sms), dus al snel werd het een enorme hype die nog steeds
voortduurt.
Desalnietteplus kost een sms versturen voor de minder moderne mens (of
de mens met dikke duimen) behoorlijk wat moeite (met alle respect). Elk
woord moet namelijk per letter worden gevormd, op elke toets staan zo’n
3 letters en door die in te toetsen wordt een woord gevormd. Juist,
ingewikkeld en een hels karwei.
Zo gek is het dus niet dat er behalve de muis-arm ook al personen met de
sms-duim zijn gesignaleerd (geen paniek, rust heelt alle wonden). Heuse
wedstrijden worden er trouwens gehouden om te kijken wie het snelst kan
sms’en.. Immers, je moet ergens goed in zijn.
Nou is er een klein probleempje. In een sms kunnen namelijk maar een
bepaald aantal tekens. Meestal zo’n 160. Dat lijkt een hele hoop, maar
alleen de eerste zin van dit stukje zijn het er al 175 inclusief spaties.
Dus inderdaad, hele levensverhalen worden er niet per sms verzonden.
Maar u begrijpt dat het niet zo gek is dat sms’ers woorden gingen
verbuigen, symboliseren en verkorten om in zo min mogelijk tekens de
boodschap over te brengen. En daar zijn de liefhebbers van de
Nederlandse taal niet echt blij mee, ook mijn docente Nederlands niet (hoewel
zij toch een fervente sms’er is.
Ff w8en
(even wachten),
frljppn (fierljeppen), wauto? (waar staat de auto?), ben
boo doe (ben boodschappen aan het doen), zijn slechts een paar
voorbeelden. De echte code gek heeft voor elk cijfer een andere
betekenis. 51 = je soep wordt koud en 62 = bel dringend je
vader.
Maar ja, overbrengen is één, begrijpen nummer twee.
Per sms worden er relaties aangegaan wymm?, eveneens verbroken
gooml!, vertelt dat k wa ltr kom…..X en mede gedeeld 7UV
BMT!
Het is inderdaad niet gemakkelijk om dit te lezen, laat staan begrijpen.
Na een kleine steekproef in Atheneum 6 trok ik de conclusie dat de
meesten sms-taal irriterend vonden, niet veel gebruikten en vaak niet
begrepen (en dat doet dan Atheneum..). Als het dan al werd gebruikt dan
de standaardwoorden; hvj (ik hou van jou), iig (in ieder geval) en X (kus).
Inmiddels zijn er voor de mens met dikke duimen verschillende
oplossingen; sms’en via de computer en de mobiele telefoon met
computertoetsenbord (Goeiemoggel reclame; zap rond 8 uur langs alle
kanalen, dikke kans dat je deze voorbij ziet komen).
Dus dat is al één probleem minder.
De mensen met sterke vaderlandse gevoelens voor de Nederlandse taal
zullen toch in hun ziel gekrenkt blijven en voor hen slechts 1 tip: GA
MAILEN!
Kmoet nl nu nr de
afchi, mn fam hep hongr.
Over mailen zal ik u daarom
de volgende keer inlichten bij ‘De digitale wereld stap voor stap, deel
2’. Dolletjes.
Annemiek Havinga
|
|
Geen eelt op de vingers
|
|
‘Merkwaardig,’ zegt
tekstschrijver en vertaler Edzard Krol. ‘Als ik regelmatig
hardloop, vormt zich een stevige laag eelt onder mijn voeten.
Maar hoeveel uren per dag en dagen per week ik ook achter mijn
computer zit, en hoeveel letters ik ook met mijn vingers tik, op
die vingers verschijnt geen spoortje eelt. Dit soort werk valt
niet te trainen, zo lijkt het wel.’
|
|
 |
| |
|
Edzard Krol en
Ton Heuvelmans. (Foto: Myla Uitham) |
Edzard vertaalt vanuit het
Engels, meest informatieve teksten, soms een roman, voor verschillende
uitgevers. Als tekstschrijver krijgt hij veel opdrachten voor de
afdeling Communicatie van de RUG. In de beeldende kunst die hij nu en
dan produceert, voert tekst eveneens de boventoon. Zo vertelt hij over
een filmpje dat hij eens voor een expositie maakte: ‘In dat filmpje is
een Poolse vrouw te horen die een Drents gedicht voordraagt. Als je goed
luistert, valt op dat ze niet snapt wat ze leest – de vrouw verstaat
geen woord Nederlands, laat staan Drents. Maar op een of andere manier
krijg je als Nederlandssprekende luisteraar het gedicht toch grotendeels
mee. Je snapt zo ongeveer wat ze zegt, al werkt haar niet-begrijpend
voorlezen tamelijk vervreemdend.’
Het filmpje laat de Poolse vrouw zelf niet zien. In plaats daarvan
verschijnen flarden tekst in beeld, citaten uit de Dikke van Dale, geen
Drents maar een Nederlands woordenboek. Zodra de Poolse vrouw een woord
uitspreekt, zie je een uitgebreide omschrijving van dat woord op het
scherm. Bij het uitspreken van het woord ‘ritmiek’ lees je bijvoorbeeld:
‘ritmiek (v.; g.mv.), 1 leer van de ritmen; 2 het ritmisch-zijn, mate
waarin iets ritmisch is: de ritmiek van een beweging, van zekere
verzen.’
‘Op het eerste gezicht,’ licht Edzard toe, ‘lijkt de situatie gered:
het onbegrip van de Poolse vrouw wordt opgeheven door
betekenisomschrijvingen uit een officieel woordenboek. Maar o jee, de
omschrijving uit het woordenboek is ingewikkeld en te lang om zo snel te
lezen. Want je ziet niet één omschrijving van een woord, op het ritme
van de Poolse vrouwenstem volgen de woorden elkaar in hoog tempo op en
ongelezen flitsen de lange omschrijvingen uit het woordenboek voorbij.’
Wat wil je met zo’n filmpje?
‘Ik heb er
aardigheid in om spelletjes te spelen met begrip en onbegrip,’ vertelt
Edzard. ‘Onder meer omdat je, als je iets niet begrijpt, of bijna
begrijpt, vaak je fantasie in gang zet om tot een soort oplossing te
komen. Dat is toch verrassender dan wanneer je iets volledig begrijpt,
dat gaat gauw vervelen.’
Ook als vertaler dicht hij een bepaalde mate van onzekerheid een rol
toe. ‘Ik durf het bijna niet te zegen, maar ik vertaal het liefst zonder
dat ik het boek eerst doorlees.’ En dat terwijl ik als docent vertalen
altijd vertel dat je een boek eerst een of twee keer moet doorlezen,
vervolgens het hoofdstuk nog een keer en dan pas aan de slag kunt gaan.
Alhoewel ik de laatste tijd eveneens geneigd ben te vertalen zonder al
te veel vooraf te lezen. ‘Ik wil graag verrast worden als ik vertaal,’
zegt Edzard. ‘Wie weet sijpelt er iets van die spanning door in de
zinnen die ik produceer. En ontstaat er zo ook geen eelt in mijn hoofd.’
Ton
Heuvelmans
|
|
Niet bij de Taas
|
|
Na een lange loopbaan in het
voortgezet onderwijs is Ton Heuvelmans tegenwoordig fulltime vertaler.
Hij specialiseert zich in moderne Engelse, Amerikaanse en Canadese
literatuur, en werkt thuis. Naast zijn leraarschap is hij ooit beëdigd
tolk/vertaler geworden, en hij tolkt zo nu en dan nog weleens in
rechtbanken. Maar de literatuur heeft zijn voorkeur, en daaraan besteedt
hij de meeste tijd.
Heuvelmans heeft ooit
besloten om bij het vertalen één doel na te streven: als iemand een
vertaling van zijn hand leest, moet hij geen ogenblik de indruk krijgen
dat het boek vertaald is. Het Nederlands moet vlot en natuurlijk lopen,
en daarvoor moet je soms concessies doen aan het origineel (‘de
brontekst’). ‘Als je al lezende regelmatig het origineel door de
vertaling ziet heen schemeren,’ stelt hij, ‘dan voel je je als lezer bij
de taas genomen. Dan ga je op de verkeerde dingen letten en gooi je na
een poosje het boek in een hoek.’
Op de speciale website voor vertalers speelt zich regelmatig een
discussie af over hoe letterlijk of hoe vrij je moet en mag vertalen.
Zoveel hoofden, zoveel zinnen. Niemand is het met elkaar eens. Ton is
jaren geleden opgehouden met het aanvragen van werkbeurzen bij het Fonds
voor de Letteren. ‘In de jury zitten kennelijk meer preciezen dan
rekkelijken, want ik kreeg vaak nul op het rekest, terwijl mijn
uitgevers dik tevreden zijn,’ zegt hij. ‘Er verschijnt zo nu en dan
zelfs een lovende recensie in de pers, wat uitzonderlijk is in
Nederland, want vertalingen worden meestal doodgezwegen of afgezeken.’
Hij beperkt zich nu tot het aanvragen van ‘reizende werkbeurzen’. In
2006 heeft hij vier weken vertaald in de Canadese Rocky Mountains.
Zojuist heeft hij aanvragen verstuurd voor een verblijf van drie weken
in een Huis voor Schrijvers in de Hudson Valley, en opnieuw voor iets in
Canada. Nooit geschoten, altijd mis.
Hoewel hij niet rouwig is om het beëindigen van zijn leraarschap, kruipt
het bloed toch waar het niet gaan kan. Tegenwoordig reist hij iedere
vrijdag af naar Amsterdam om aan de Keizersgracht vertaalworkshops te
geven aan de Vertalersvakschool. ‘Dat is om meerdere redenen een
aangename en eervolle opdracht,’ meent Ton. ‘Na al die jaren lesgeven,
kan ik wel een verhaal vertellen. Bovendien kan ik mijn enthousiasme
over het vak van vertaler op die manier overbrengen op jonge, even
enthousiaste leerlingen en gezellen. Hoewel ik iedere vrijdagnacht
gebroken terugkeer uit het westen, overheerst toch een gevoel van grote
voldoening. Weer iets bijgedragen aan het ontwikkelen van nieuw
vertaaltalent.’
Edzard
Krol
|
|
Heggesprek
|
|
Dit is ’n
tweegesprek tussen Haye van den Oever en Ragini Werner, buren in
de Luddestraat in Thesinge. Haye is leraar Engels aan het
Ommelander College te Appingedam. Hij geeft les sinds 1974. Gini
was vroeger bedrijfsjournaliste bij Elsevier Science te
Amsterdam. Nu is zij freelance redactrice en bedient haar
klantenkring met haar Native-English Editing Service.
Wat hebben deze Thesingers nog meer gemeen, behalve dan het feit
dat ze buren zijn? Qua uiterlijk zou je het nooit raden. Haye is
lang, slank en liever beweeglijk. Gini is klein, rond en liever
lui. |
|
 |
| |
|
Haye van den Oever en Gini
Werner (foto: Myla UItham) |
|
|
Hij komt oorspronkelijk
uit Harlingen maar is al ruim 30 jaar thuis in Thesinge. Zij groeide op
in Nieuw Zeeland, verhuisde, via Sydney en Londen, in 1980 naar
Amsterdam en woont pas sinds 2000 in Thesinge. Afzonderlijk hebben deze
buren een heel andere achtergrond. Maar, als je ze vraagt twee dingen te
noemen die ze echt leuk vinden, leer je dat ze evenveel van motorrijden
houden en, belangrijk voor het thema van dit nummer: ze delen een
voorliefde voor en een fascinatie met de Engelse taal.
Het is zomer 2007.
Gini zit in haar tuin op de schommel te genieten van de zon, haar twee
hondjes en een Engelstalige thriller. In de tuin ernaast loopt Haye heen
en weer zijn grasveld te maaien. Het is heet. Het gebrom van de
grasmachine is rustgevend. Terwijl Haye rustig in beweging blijft, doet
Gini even haar oogjes dicht tegen dat felle zonlicht. Kort erna, als
Haye zijn tuinspullen opgeborgen heeft, hoort hij een bruisend geluid.
Over de heg tussen de tuinen in ziet hij Gini, die heerlijk op de
schommel zit te snurken.
Haye
(nadert het stukje heg naast de schommel. Hij praat zachtjes):
Dag buurvrouw. (Zij schrikt wakker, haar hondjes blaffen)
Gini
(roept bazig naar haar hondjes): Oliver! Cleo! Houd op met dat
geblèr! Wees lief tegen je buurman, anders stuur ik je naar Korea waar
je op de menukaart komt te staan!
(Plots zijn
de hondjes stil) Nou, da’s beter! And a good day to you, too,
buurman.
H:
(lacht met haar mee) Heb jij zin in een Engelse krant?
G:
Ah, heb je de Daily Telegraph weer uit? Wat fijn! Ja hoor, ik
lees hem graag.
H:
Goed, ik zal hem even voor je pakken.
G:
Straks is ook goed. Vertel me eerst, waarom lees je zo graag deze
Engelse krant?
H:
Doe jij dat dan niet?
G:
Natuurlijk, maar voor mij is het logisch. Het is mijn moedertaal. Voor
jou toch niet?
H:
Ach ja, Engels voelt voor mij net zo vertrouwd. I love the language.
En deze Engelse krant is zo veel meer informatief dan de gemiddelde
Nederlandse krant. Engelse kranten hebben in het algemeen een bredere
kijk op de wereld dan Nederlandse kranten, ze zijn niet zo beperkt. Dat
is ook logisch als je bedenkt dat het Britse Koninkrijk, the British
Empire, ten tijde van Koningin Victoria gigantisch groot was.
Ik ben ook gefascineerd door wat men noemt de ‘realia’ van het land, de
practische feitjes, alles wat er mee te maken heeft, zoals de
geschiedenis, de cultuur en het zelf-beeld van de Brit, met al zijn
beperkingen en gewoontes. Iedere keer als ik deze krant gelezen heb, kom
ik tot de conclusie: een heerlijk vakantieland, maar ik zou daar niet
willen wonen!
G:
Ha! Ik zou Thesinge ook niet willen ruilen. Maar waar komt jouw
taalpassie vandaan?
H:
Op school was ik nogal goed in Engels, jij ook zeker? (Zij knikt)
En als je goed in iets bent, dan gaat het leren vanzelf. Het werd dus
voor mij een makkelijke keus om Engels te gaan studeren. Ik heb mijn
scriptie gewijd aan de Britse legerofficier/geheim agent T.E. Lawrence,
vooral aan zijn prachtige boek The Seven Pillars of Wisdom. Ken
je het?
G:
Jawel, maar heb ’t nooit gelezen. Lawrence ken ik meer vanuit de film
uit de jaren 70, met Peter O’Toole in de hoofdrol, roekeloos rijdend op
z’n motor of op een wilde kameel…
H:
Lawrence of Arabia, ja!
Die film heeft zo’n indruk
op me gemaakt en heeft zeker een rol gespeeld in de keuze van mijn
scriptie. Ach, Engels, je raakt nooit uitgeleerd.
G:
Daar zeg je wat. Ik ben het zelfs weer gaan studeren en volg nu een
cursus bij het Instituut voor Tolken en Vertalers in Utrecht om mijn
editing skills op te poetsen.
H:
Klinkt heftig! Maar, als ik vragen mag, wat betekent Native-English
Editing Service? Ik bedoel, wat doe je precies voor werk? En waarom
noem je jezelf geen vertaalster?
G:
(lachend) Omdat ik dat niet ben. Vertalen kan ik niet! Het is
echt vakwerk, bestemd voor specialisten, die net zo kundig in de
brontaal als de doeltaal zijn en (ze overdrijft haar Engelse accent)
zoals je hoort, beheers ik de Nederlandse taal niet zo goed. Nee, ik
richt me liever op het redigeren van teksten geschreven in het Engels
door mensen voor wie het geen moedertaal is. Een goede schrijver of
vertaler heeft mij niet nodig. Maar volk, dat niet zo thuis is in het
Engels – zoals sommige studenten, academici of zakenlui – kunnen af en
toe een native-speaker wel nodig hebben. Dan geef ik ze
graag een helping hand met het aanbrengen van de finishing
touches aan hun teksten.
H:
Probeer jij er dan altijd perfect Engels van te maken?
G:
Nee joh, vaak is dat niet aan de orde. Ik haal alleen de storingen eruit,
de rest laat ik staan. Onveranderd dus. Stel, dat jij een brief hebt
geschreven aan je nichtje in Canada. En bedenk eens, bij het corrigeren
van jouw brief, dat ik jouw eigen stijlfoefjes eruit zou halen om ‘perfect
English’ te maken. Wat dan zou overblijven is niet meer van jou,
maar iets wat ik nagekauwd heb tot nauwkeurigheid en dat is niet de
bedoeling! Ik moet niet alleen de tekst respecteren, maar ook de
gevoelens van de auteur. ’t Is een boeiende uitdaging, vind je niet, zo
keurig te moeten omgaan met taal?
H:
Zolang je er lol aan hebt! Maar ja, je praat zo enthousiast over je werk,
het lijkt alsof je van je hobby je beroep hebt gemaakt.
G:
Dat klopt! Ik heb het geluk, dat ik met mijn moedertaal mijn brood kan
verdienen en dat is hemelslekker. Maar dat doe jij toch ook, in jouw
beroep als docent Engels?
H:
(veegt een sprietje gras van zijn mouw af) Dat klopt. Het is mijn
hobby ook, want als ik in the mood ben, schrijf ik Engelstalige
poetry. En de Daily Telegraph is een heerlijke bron van
leuke teksten en wetenswaardigheden voor in de klas.
Maar goed, ik zou uren door kunnen kletsen in dit heggesprek van ons,
maar ik moet verder klussen. Prettige middag nog!
G:
Insgelijks en don’t work too hard!
H:
Don’t worry, I won’t. Maar nu eerst, buurvrouw, zal ik de krant
voor je halen.
G:
Dank je, buurman, da’s heel erg lief van je.
Voordat Haye terug is met
zijn opgerolde krant, knijpt Gini haar oogjes dicht en is zij snel weer
teruggevallen in snurkstand. Haye geeft de krant aan hondje Oliver die
het netjes op de voeten van zijn bazin dumpt. Het andere hondje, Cleo,
dat jaloers is op de aandacht die Oliver kreeg, begint gefrustreerd aan
de pagina’s te scheuren. Eindelijk doet Oliver ook mee aan het spel en
voordat je het weet, liggen beide kleine hondjes diep te rommelen in een
overheerlijk nest van Engelstalige woorden.
Gini
Werner en Haye van den Oever
|
|
Puzzelen met woorden
Interview met een tekstschrijver
|
|
Misschien kent u
Anne Benneker van de stukjes die zij al jaren met enige
regelmaat voor onze krant schrijft. In 1982 kwam ze samen met
haar man Wim aan de L. van der Veenstraat in Garmerwolde wonen.
Daar wonen ze nu nog met jongste dochter Charlotte (16) die in
de vijfde klas van het Praedinius Gymnasium zit. De twee andere
dochters Suzan (22) en Pauline (20) hebben het ouderlijk huis
inmiddels verlaten. De eerste studeert medicijnen in Amsterdam,
de tweede pedagogiek in ‘Stad’. Wim is als huisarts werkzaam in
het Gezondheidscentrum Lewenborg. Anne werkt parttime bij het
bureau ‘&Teksten’ in Groningen dat deel uit maakt van een media-adviesbureau.
De resterende tijd besteedt ze aan haar gezin, aan lezen,
sporten en aan de Plaatselijke Commissie van de kerk van
Garmerwolde. “Ik houd van puzzelen met woorden”, vertelt Anne.
“Dat je met niets begint, en dat er dan toch een verhaal uitkomt
met een kop en staart. Het leuke van mijn werk vind ik ook dat
je uiteindelijk een tastbaar product in handen hebt, een krant,
een magazine of een folder.” |
|
 |
| |
|
Anne Benneker (Foto: Suzan
Benneker) |
|
|
Wat doet een tekstschrijver
precies?
“Als tekstschrijver moet je voor een breed publiek over allerlei
onderwerpen een toegankelijk artikel kunnen schrijven. Een
tekstschrijver schrijft in opdracht. Je gaat dus eerst overleggen met
die opdrachtgever. Wat moet er geschreven worden, voor wie is de tekst
bedoeld. Is het voor een krant, een folder of een website? Het ene
onderwerp ligt je natuurlijk beter dan het andere, maar altijd zul je je
als tekstschrijver goed in het onderwerp moeten verdiepen. Als
tekstschrijver ben je de ‘spreekbuis’, geen ‘kritische journalist’. Je
vertelt wat jouw opdrachtgever aan zijn doelgroep wil vertellen. Daarbij
moet je de ‘rode draad’ van het onderwerp zien te pakken. Je moet dan
wel eens sturen. Als iemand bijvoorbeeld een heel technisch verhaal
vertelt moet je je wel afvragen of de lezer daar iets mee kan. Het is
ook je taak om bestaande teksten te verbeteren en ideeën aan te dragen.
Als de tekst klaar is, stuur je hem aan de opdrachtgever.”
“Of er wel eens een tekst compleet wordt afgekeurd? Nee, dat niet. Maar
na overleg wordt er soms nog wel wat bijgesteld of gecorrigeerd. Als
mensen hun eigen woorden opgeschreven zien, komt dat soms toch anders
over dan ze het bedoelen.”
Wat schrijf je zoal?
“&Teksten heeft met verschillende opdrachtgevers te maken. Daaronder
zijn veel gemeenten die begrotingen of andere ingewikkelde zaken onder
de aandacht van hun burgers willen brengen. Zo hebben we de laatste tijd
een aantal kranten over de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
geschreven. Daarnaast verzorgen we tal van uitgaven op uiteenlopend
gebied, van toeristische uitgaven tot een krant over de jaarlijkse
HT-race, de sloepenroeirace van Harlingen naar Terschelling. Van de
Handdruk, het blad voor de vrijwilligers van het UMCG, tot een krant
voor Hortus Haren.
Een paar keer per jaar verzorgen we ook een congreskrant op locatie,
zoals pas nog in Zeeland. We verslaan dan een congres, compleet met
fotoreportage en sfeerartikelen. De congresgangers vinden die krant de
volgende ochtend op hun deurmat. We hebben altijd wel met deadlines te
maken, maar meestal zit er nog wel een beetje rek in. Maar bij een
congreskrant werken we met een hele ploeg tot diep in de nacht door om
de deadline te halen. Dat is echt spannend!”
Wat vind je het leukst aan je werk?
Anne heeft
plezier in haar werk, zegt ze. En ze vindt het leuk om mensen te
interviewen. Bijvoorbeeld de vrijwilligers van het UMCG die ze spreekt
voor de Handdruk. “Dat zijn heel uiteenlopende mensen, elk met een eigen
verhaal. Wat hen bindt is dat ze vrijwillig zorgen voor ‘de franje aan
de zorg’. Zij maken het verblijf in dat immense ziekenhuis een beetje
aangenamer voor patiënten en bezoekers.” Desgevraagd zegt Anne dat ze
geen ambitie heeft om ooit een boek te schrijven. Dat is niet ‘haar
stiel’. “Tekstschrijven geeft me voldoening: het is een creatief beroep,
waarin ik iets kan doen met mijn liefde voor taal.”
Henk
Vliem
|
|
Tekst & verwerken
|
|
Sinds de computer zijn
intrede deed in onze huishoudens en op het werk, is tekst verwerken een
peulenschil geworden. En de wereld een stuk kleiner.
Stuurde ik vroeger een brief met van dat ultradunne luchtpostpapier naar
mijn vriendin aan de andere kant van de wereld, dan was ik blij als ik
twee of drie weken later antwoord van haar kreeg. Ik schreef
voornamelijk over belangrijke gebeurtenissen en hoofdlijnen.
Tegenwoordig mail ik haar ’s ochtends onder de koffie even en vertel wat
er vandaag bij mij op het menu staat en dat ik een pesthumeur heb. Soms
komt een uurtje later het antwoord al binnenrollen en wordt ik alweer
een stuk vrolijker.
In het begin was dat bijzonder. Nu is het alweer heel gewoon en staat
niemand er lang bij stil.
Alleen als er een stroomstoring is of computerpech, realiseren we ons
ineens weer dat er ooit een tijd was waarin alles anders was.
Wereld open
Er is een wereld
voor ons opengegaan. Informatie opzoeken, gezellig kletsen (chatten),
ervaringen delen; het kan allemaal en met iedereen over de hele wereld.
Ik heb mijn neef in China al een half jaar niet meer gesproken, maar
weet precies waar hij woont, welke vrienden hij heeft en welke reisjes
hij maakt. Elke twee weken stuurt hij een vaste vrienden- en
familiekring fantastische verhalen en prachtige foto’s. Weet je meteen
hoe het leven in China er zo’n beetje uitziet en je leert tegelijk iets
over bv. de economie, de mentaliteit en cultuur van het land en zijn
inwoners.
Mijn dochter in ”Stad” weet mij soms eerder op de hoogte te brengen
welke potjes er in Thesinge ter wereld zijn gekomen, dan ik het zelf
weet.
En dan hebben we het nog niet eens gehad over de levendige handel die
via internet tot stand komt!
Bloggen: blog, blogde, geblogd?
De dikke Van Dale
(althans die van mij) kan ik er niet op naslaan, die kende dit woord
toen nog niet. Wikipedia (ook al via internet) vertelt er het volgende
over:
Een weblog (in het Engels een ”blog”), is een website waarop regelmatig-
soms meermalen per dag – nieuwe bijdragen verschijnen. De informatie
wordt chronologisch weergegeven (op datum). Wie een weblog opent, ziet
allereerst de recentste informatie. De auteur (blogger) van zo’n weblog
biedt een logboek van informatie, dat hij wil delen met zijn publiek, de
bezoekers van zijn weblog. Meestal gaat het om tekst, maar soms ook om
foto’s (fotoblog), video (vlog) of audio (podcast). Weblogs bieden hun
lezers de kans om – al dan niet anoniem- reacties onder de berichten te
plaatsen. Weblogs zijn ontstaan naar aanleiding van het op natuurlijke
wijze ”online dagboeken,” die mensen vanaf 1994, (na het http protocol)
begonnen bij te houden. Het eerste Nederlandse weblog dateert van 1999.
Ook in Thesinge
Wie veel baat
heeft gehad bij de bloguitvinding is Aly Pepping uit Thesinge.
In de zomer van 2006 zou zij geopereerd worden aan haar knie, die
versleten was.
Omdat ze nogal opzag tegen de operatie, besloot ze op internet op zoek
te gaan naar ervaringen van anderen. Die kon ze echter niet vinden, maar
ze dacht wel: als ik er naar op zoek ben, zijn anderen dat misschien ook
wel. Dus begon ze haar eigen weblog, waarop ze een dagboek bijhield van
20 weken vóór tot 20 weken na de operatie.
Het is de start van een serie artikelen over de beperkingen van een
versleten knie, de operatie die dichterbij komt, het zoeken naar
informatie en de revalidatie erna.
Al bloggende schijft ze haar angst weg en als het zover is, is ze
helemaal klaar voor de operatie.
Er komen veel reacties op haar stukjes en zo blijken ook anderen er wat
aan te hebben; het mes snijdt dus aan twee kanten. Eén mevrouw vindt dat
ze door Aly’s artikelen beter voorbereid op het spreekuur van de
orthopeed zit en zo de juiste vragen stellen kan.
Als na een half jaar de knie klaar is, droogt het nieuws op. Aly is er
zelf ook klaar mee. Toch blijven de reacties komen. Ze besluit de weblog
voorlopig in de lucht te houden en een boekje te maken van alle
artikelen, dat ze in eigen beheer uitgeeft.
”Stilstaan bij een nieuwe knie” heet het boekje en het is voor iedereen
die wil weten hoe het is om een knieprothese te krijgen.
Zelf vind ik het vooral een leuk en zeer leesbaar boek, met veel
herkenbare dingen waar iedereen wel eens mee te maken krijgt of van
gehoord heeft.
Het boekje is net uit en kost 9,80 euro, wie belangstelling heeft kan
bij Aly Pepping terecht.
Waar een weblog allemaal toe
kan leiden!
Susan de
Smidt
www.knieblog.nl
pepping@xs4all.nl |