Voor
weinige jaren is bij het graven een doodshoofd met beenderen
gevonden". Waarschijnlijk gaat het hier om de vroegere Middeleeuwse
kerk van Heidenschap, laatst vermeld in een taxatielijst van kerspelen
uit 1506. Verder vermeldt hij dat weinig noordwaarts daarvan
voormaals een burgt heeft gestaan, laatst toebehorende aan Pompejus de
Valck, Staat-Generaal der Verenigde Nederlanden, gestorven in 1727.
Begraven in de kerk onder een buitengewoon grote zerk. Volgens J.A.
Formsma gaat het hierbij om de z.g. Gelmersmaborg, volgens de kaart van
Beckering van 1785 gelegen aan de z.o. kant van het Damsterdiep,
ongeveer ter hoogte van de nieuwe brug. Op oudere kaarten wordt de borg
Henssens of Hensius genoemd, waarschijnlijk naar de syndicus van de
Hoofdmannenkamer Jodocus Hensius uit Lippe die in 1643 Gelmersma (waar
vroeger een tichelwerk was) kocht. Zijn dochter trouwde met Bernard
Julsingh, die na hem de borg bewoonde, en secretaris van de Ommelander
landdag was. Julsingh was ook vennoot in de Ommelandse Compagnie.
Gelmersma wordt in 1454 genoemd als edele heerd, d.w.z. dat de eigenaar
het recht had bij toerbeurt het "Redger"-ambt te vervullen. De
rechten van de edele heerden werden in de 15de en 16de eeuw geleidelijk
allemaal opgekocht door de bekende families van grootgrondbezitters in
de Ommelanden, die onder elkaar trouwden en gezamenlijk de alleenheerschappij
in de Ommelanden verwierven. De geslachten Clant en De Mepsche zijn
duidelijke voorbeelden van zulke machtige families.
De Ommelanders lagen in die tijd (tijd van Jan de Witt, die zich er ook
nog mee heeft bemoeid) in onmin met de Groningse bestuurders en hebben
toen enige jaren niet in de stad maar in de Ommelanden vergaderd,
waarvan zeker eenmaal in de kerk van Garmerwolde en eenmaal in die van
Ten Boer. Dit geschil betrof de ontvening en de afvoer van turf naar
Groningen uit de Ommelandse venen, bij Meeden t. z. van Zuidbroek door
de Ommelandse Compagnie.
De borgbewoners noemden zich terecht of ten onrechte hoofdelingen van
Garmerwolde, Thesinge en Ten Boer. De familie Valk, Valck of de Valck(e)
was afkomstig uit Scharmer, waar ze ook een borg hadden.
Bovenrijge
Diezelfde titel van hoofdeling droegen ook de bewoners van de
Tackenborg aan de Bovenrijge, die vroeger nog niet doorliep tot aan de
Rijksweg. Ook
dit was in 1454 een edele heerd, "gelegen in de middelste
klauw". Klauw of kluft is het gebied waarbinnen het redgerambt
rouleerde. Oorspronkelijk zijn Garmerwolde, Thesinge en Ten Boer
afzonderlijke klauwen (rechtsgebieden) geweest, maar uit de nog
overgebleven rechtsdocumenten blijkt dat er steeds maar één redger was
voor het hele gebied. Dat werd uitgeoefend door of namens (bij volmacht)
de hoofdeling in Garmerwolde, Thesinge en Ten Boer.
Tackenborgh wordt in 1510 verworven door Reynt Albeda, en in 1547 door
Evert Clant. Zijn zoon Evert verkoopt het in 1588 aan Coppen de Mepsche.
Coppen was genoemd naar zijn grootvader van moeders kant. Zijn moeder
was Anna Jarges, dochter van een bekend stadjer. Hij had een zeer
bekende broer, Johan "die" Mepsche, die in Ingolstadt in
Duitsland had gestudeerd, lid was geweest van de Reichskammer in Spiers,
was geridderd door keizer Karel V, en later als luitenant
(stadscommandant) van de Hoofdmannenkamer in Groningen, een
vertrouweling werd van de hertog van Alva. Hij werd belast met de
financiering van de bouw van een citadel bij de Heerebrug, het
"kasteel van Alva". Van de familie de Mepsche is Everhard
vemeld op de grote klok van de toren van Garmerwolde. Hij heeft ook een
graf in de kerk.
Coppen, die stierf in 1594 (het jaar waarin Groningen overging tot de
gereformeerde godsdienst) is begraven in het koor van de kerk van
Thesinge. Het geslacht De Mepsche, afkomstig uit Borger in Drenthe, had
daar het landgoed Westrup in leen van de bisschop van Utrecht, en
vestigde zich in de 15de eeuw in Groningen in de Kijk in 't Jatstraat.
Ze hadden ook een bierbrouwerij en waren "erfvoogden" van
het Mepschengasthuis. In de loop van de tijd heeft de familie in de
Ommelanden een stuk of vijf borgen verworven: Piloursema in Aduard,
Duirsum in Loppersum, Bijma in Faan (bij Zuidhorn), Meyma in Baflo, en
de Tackenborgh. Na het overlijden van de beruchte Rudolf, drost van
Wedde in 1754, is het geslacht in de mannelijke lijn uitgestorven.
Later verwierf Bernard Julsingh de borg. De laatste bewoner was een
Roelof Dijck, die failliet ging, waarna de borg werd gesloopt.
Op de plaats van Gelmersma werd een boerderij gebouwd die Valkenborg
heette.
De familie de Mepsche verhuisde naar Faan bij Zuidhorn. In 1727 bestond
Rudolf de Mepsche het om ruim 20 van zijn pachters in Zuidhorn ter dood
op de brandstapel te veroordelen wegens veronderstelde
"sodomie". Voor deze schandelijke gruweldaad werd hij
gepromoveerd tot drost te Wedde.
Garmerwolde
De schoolmeester vermeldt verder nog de "Ridderborg" op
de kruising van de Thesinger Maar en de Stadsweg. Hij vermeldt dat deze
tekenen van hoge ouderdom verraadt, en voor een aantal jaren (dus
omstreeks 1820?) door de schepperij van het Vierendeel was aangekocht
voor een vergaderplaats voor zijlrechters. Hij acht het
"hoogstwaarschijnlijk dat de borg door het oude Riddergeslacht is
gebouwd, ten einde daar hun nachtsverblijf te houden en zich dus
gerechtigd bevonden om als volmachten of eigenerfden ter landdag te
verschijnen en in hooge ambten te geraken". De Ridderborg is geen
"erkende" borg in die zin dat er heerlijke rechten aan
verbonden zijn geweest. Niettemin is het ongetwijfeld een zeer oude
heemplaats, alleen al gezien de ligging bij de hoofdingang naar
Fivelingo. Uit het Stadboek van Groningen blijkt dat op 16 oktober 1651
aan Garmerwolde werd toegestaan een til aan te leggen in de Stadsweg bij
de Borg, mits zij hem zelf onderhouden. De Ridderborg staat dus al heel
lang als borg bekend.
Uit een boekje van de uitgeverij Kok/Kampen uit 1909 blijkt dat in 1809
in de armhuiskamer van Ten Boer Jan Egberts Broekema is geboren. Maar
het staat vast dat hij niet in Ten Boer, maar in Garmerwolde is geboren.
Er staat een oude foto bij van het armhuis, waarvan ik dus vermoed dat
het in Garmerwolde stond, maar ik weet niet waar. Misschien weet een van
de lezers dat?
Thesinge
Van het dorp Thesinge zijn bij opgravingen bewoningssporen gevonden
die teruggaan tot ongeveer 800 n. Chr. Het klooster Germania, gesticht vóór
1200, was al spoedig van grote betekenis. Dit blijkt o.a. uit het feit
dat het al in 1284 de patronaatsrechten verwierf van de belangrijke
Walfriduskerk van Bedum, waar de relikwieën van de door Noormannen
vermoorde heilige Walfried en zijn zonen, druk door pelgrims werden
bezocht. Waar Germania lag, mag bekend worden verondersteld. Minder
bekend is dat bij het repareren van de riolering in de twintiger jaren,
voor de kerk een gave stenen vuistbijl werd aangetroffen, wat er
mogelijk op duidt dat dit in de oertijd als een heilige plaats werd
beschouwd. De bijl moet dateren van ruim voor het begin van de
jaartelling. Het is echter geen bewijs dat het dorp toen al bestond.
De uithof van het Agnietenklooster lag in Steerwolde, ten zuiden van het
Gewijde. Hier was ook een kapel.
Aan de andere zijde van de dorpskern van Thesinge, richting de molen, is
een grotendeels onbebouwd terrein waaronder de resten van het
nonnenconvent van Germania liggen. Dit terrein is als Rijksmonument
aangewezen. Naar verluidt zijn er nog oude gewelven onder de grond. Er
bestaat nog een fragment van een kroniek uit 1525 over de vlucht van de
nonnen naar Utrecht tijdens de gewelddadigheden tussen de Bourgondische
stadhouder Schenk van Toutenburg en de troepen van Karel van Gelre in
1506. Omstreeks het begin van de tachtigjarige oorlog is het klooster
verwoest en verlaten.
Germania had een zegel waarop St. Felicitas met haar zeven zonen was
afgebeeld. Aan die heiligen was het klooster kennelijk gewijd, en niet
aan St. Germanus, zoals ook is verondersteld. In de
Universiteitsbibliotheek in Groningen, de Konglige Bibliothek in
Kopenhagen en in andere archieven bevinden zich enkele getijdenboeken en
andere prachtig geschreven en geschilderde handschriften met miniaturen
en randversieringen, afkomstig uit Thesinge.
Steerwolde
In 1964 kreeg huisarts van der Werff uit Garmerwolde te horen dat
bij het egaliseren van grond bij een boerderij aan het Geweide, thans
vlak bij de Eemshavenweg in Thesingeburen menselijke beenderen en zerken
gevonden waren. M.m.v. prof Waterbolk werd een opgraving door het BAI (Arch.
Instituut Groningen) geregeld. Hierbij werden de intacte fundamenten van
een kerk, drie geornamenteerde sarcofaagdeksels van basaltsteen, wat
aardewerk en 105 menselijke skeletten aangetroffen. De versieringen op
de deksels zijn deels oud-germaans, maar op alle drie is een kruis
afgebeeld. Op twee ervan staan bisschopsstaven. De restanten schijnen
zich te bevinden in de kelders van het Gronings museum. De kerk moet die
van Steerwolde zijn geweest, die laatstelijk voorkomt in een register
van kerkelijke goederen van ca. 1450. Dit was een andere kerk dan de
hiervoor genoemde kapel van het convent van de Geestelijke maagden.
Bederawalda
Over de (vroegere) ligging van deze plaats zijn allerlei
veronderstellingen geuit, waarbij velen denken dat het ergens in de
buurt van Thesinge moet zijn geweest. Ik wil hier nog een aan toevoegen:
misschien was het wel St. Annen, want dat ging waarschijnlijk pas Sint
Anna heten na de stichting van Parva (of Lutje of Klein) Aduard.
Tot slot nog een toelichting op het vorige artikel. Daarin heb ik
gesteld dat er na het aanleggen van de Borgwal onenigheden ontstonden
met de Drenterwolders, hetgeen mogelijk aanleiding was tot het vestigen
van kloosters. Garmerwolde en Thesinge maken deel uit van de Friese
landen ten oosten van de Lauwers, die door de gewelddadige bekering
onder leiding van keizer Karel de Grote onder het bisdom Munster waren
komen te vallen. In die tijd was er geen ander centraal gezag meer, er
was geen koning, hertog of graaf van Friesland. In die tijd werd de z.g.
"Lex Frisionum", de wet van de Friezen, op schrift gesteld.
Hierin werd geregeld hoe sommige rechtsgeschillen moesten worden
opgelost, met name de hoogte van de "ìweergeldenî en de ìbreukenî"
(betalingen aan de redgers) die verschuldigd waren bij diefstal,
huisvredebreuk en doodslag. Geschillen tussen verschillende dorpen
moesten worden opgelost tijdens periodieke bijeenkomsten van alle
(Oost)friezen onder de Upstalboom bij Aurich. Die wet gold alleen voor
Friezen.
Verder had Karel de Grote enkele koninklijke besluiten afgevaardigd, de z.g.
capitularia, die soms alleen van toepassing waren op koninklijke
domeinen. In die half anarchistische toestand konden de - onder
bescherming van de keizer staande - kerkelijke autoriteiten, die de
enigen waren die konden lezen en schrijven en bovendien enige kennis
hadden van het Romeinse en van het kerkelijke recht, al spoedig een
machtige positie innemen.
Harm
Buter
Rijksweg 73 Ten Boer
050-3022336