G&T2013

Maandelijks Nieuwsblad voor Garmerwolde, Thesinge en omstreken

39e jaargang - december 2013 

Koude verhalen, warme herinneringen

 

Nu kunnen we ons niet goed meer voorstellen hoe donker het hier ‘s winters in Garmerwolde en Thesinge lang, lang geleden moet zijn geweest met alleen kaarslicht of olielampen. Diepe duisternis langs de wegen en om de huizen. Je kunt je voorstellen dat er in die donkerste tijd van het jaar in de huizen bij kleine lichtjes en warme haarden verhalen werden verteld die uitgroeiden tot hele mythen en legenden. De G&T Express vroeg zich af of er in de huidige tijd ook nog anekdotes en sterke verhalen de ronde doen, over kou, sneeuw en ijs. We togen ook naar drie pastorieën, markante huizen in onze dorpen, met hun grote ramen, hoge plafonds en krakende daken op zoek naar herinneringen en verhalen. Dit alles om u als lezer te laten glimlachen bij de kerstboom of romantisch kaarslicht. De redactie wenst iedereen fijne kerstdagen en een gelukkig 2014.

De pastorie van Garmerwolde

201312a

De pastorie aan de Dorpsweg met in deuropening de huidige bewoners
Han en Lieske Mandema (foto: Harjo de Poel)


Naast de kerk in Garmerwolde staat een markant huis: de voormalige pastorie. Dit statige pand spreekt velen tot de verbeelding. Hoe oud is het huis? Hoe is het om er te wonen? Zijn er geheime gangen? Waart er een geest? Wie weet bestaan er sterke pastorieverhalen voor bij de winterhaard. De G&T duikt in de verhalen achter de pastorie, via archiefmateriaal en gesprekken met oud-bewoners.

Voor 1900 stond achter op het huidige kerkhof de pastorieboerderij, een weem genoemd. Omdat herstel van deze 17e-eeuwse weem teveel ging kosten en ook het kerkhof uitgebreid moest worden, werd eind 19e eeuw besloten een nieuwe pastorie te bouwen aan de weg. In 1898 begon de aannemer met de afbraak van de oude pastorie en de bouw van de nieuwe, naar een ontwerp van architect Rozema. De ‘eerste steen’ aan achterzijde van het huis herinnert aan de bouw en vereeuwigt de naam van de architect en de toenmalige kerkenraadsleden. Het nieuwe gebouw, met neoclassicistische elementen, was wel groot, maar miste de simpele charme die de Groninger pastorieën uit het midden der 19e eeuw kenmerkte (zoals in archieven vermeld staat). Naar verluidt is de kerkenraad ter inspiratie een tijdje de provincie rondgetrokken: de nieuwe pastorie mocht natuurlijk niet onderdoen voor die van andere dorpen. De aannemer zou destijds zelfs failliet zijn gegaan aan de dure bouw, maar dat kan ook een sterk verhaal zijn.

Een en ander wordt deels onderschreven door de huidige bewoner Han Mandema: ‘De dakpannen aan de voorkant blijken bijvoorbeeld chique designdakpannen te zijn van de firma Draaisma-de Vries, die te vinden zijn op daken van meer voorname panden die in die tijd in het noorden des lands zijn gebouwd, terwijl aan de achterkant van het huis gewone pannen liggen.’ Ongeacht enig aplomb is het pand in een voor zijn tijd nogal ouderwetse stijl gebouwd. Er zaten bijvoorbeeld nog bedsteden in, wat in die tijd niet meer gebruikelijk was in nieuwbouw. Voor de koets van de toenmalige dominee Tjassens-Keiser werd een koetshuis aan de woning gebouwd.

1898-1979: De pastorie als pastorie
Tot 1979 deed het hele pand functie als woning voor de dominee, met daarbij ook een leerkamer voor kerkelijke zaken, zoals kerkenraadsvergaderingen. Deze consistorie bevindt zich aan de kerkzijde van het pand. Een voor velen nog bekende bewoner is dominee Bakker, die vanaf het eind van de oorlog dertien jaar lang heeft voorgegaan. Na zijn vertrek heeft de pastorie lange tijd leeg gestaan, waarna in 1967, ten tijde van dominee Kristensen, een uitgebreide verbouwing plaatsvond, waarbij onder andere gasleidingen werden aangelegd, de en suite leefruimte werd opgedeeld in twee aparte kamers, en verlaagde plafonds werden aangebracht.
Na dominee Kristenen volgden een aantal ongehuwde predikanten die het huis deelden. Volgens de kerkenraadsnotulen uit die tijd waren dit de eersten die huur gingen betalen. Zij hadden namelijk (nog) geen officiële aanstelling als dominee bij de kerk van Garmerwolde, bijvoorbeeld omdat men kandidaatspredikant was (dat wil zeggen nog theologie studeerde). De eerste stap naar gedeeld studentenhuis was daarmee gezet, maar wel nog steeds met kerkelijke voorwaarden. In 1973 betrokken Karel en Geesje Jongeling de helft van de pastorie, volgens de archieven voor ‘300 gulden en een preekbeurt per maand’. Vanaf 1977 werd de consistorie gedeeltelijk verhuurd aan het Groene Kruis en werd de rest van de pastorie aan derden verhuurd. Het woongedeelte verloor daarmee zijn functie als predikantenwoning.

1979-1987: De pastorie als studentenhuis

201312b

Oud-bewoners Pluc en Irene Plkaatsman en Tineke Reitsma(
foto: Pluc Plaatsman)

Op 5 december 1981 betrokken Pluc en Irene Plaatsman (tegenwoordig wonend te Thesinge) samen met een bevriend stel het woongedeelte van de pastorie. Pluc en Irene bewoonden de zuidkant: twee kamers boven en twee beneden. Al snel werd beneden de tussenmuur verwijderd om de en suite kamer in ere te herstellen. ‘We ontdekten dat de suite-schuifdeuren (gelukkig) nog op zolder lagen en deze hebben we er gelijk weer in gezet. De blinden aan de binnenkant van de ramen waren er ook uit gehaald en betimmerd met board; de oude vensterbanken waren op eenzelfde manier weggewerkt.’
Toen ze er net een paar weken woonden was het eerste wapenfeit van de nieuwe bewoners een groot feest met band op oudejaarsavond 1981: de housewarming party. Irene: ‘Toen werd dat nog niet zo genoemd, maar het is wel een treffende term want het was er die eerste weken stervenskoud. We hadden alle vier een aantal vrienden uitgenodigd. Na middernacht kwamen ook veel mensen uit het dorp langs, want ‘licht aan’ betekent ‘borrel halen’. En bovendien was het op de weg naar het kloksmeren.’ De nieuwe bewoners waren nog niet bekend met deze gebruiken, maar hadden al wel gehoord dat er die avond zou worden gesleept en vernield door jongeren. ‘De Renault 4 van een van onze vrienden was al midden op straat geduwd.’ Irene herinnert dat ze het best spannend vond. ‘Diezelfde jongeren belden ook aan, gaven netjes een hand, wensten ons gelukkig Nieuwjaar en trokken bij binnenkomst zelfs hun schoenen uit!’ (Dit laatste was vermoedelijk gewoon bij bezoek aan de dominee). ‘Op een gegeven moment waren er tientallen feestende mensen in de pastorie. Al met al is het een geweldig leuk feest geworden en door al die gasten duurde een deur verder het kloksmeren langer dan ooit.’
In die tijd werd de consistorie op woensdagmiddagen door het Groene Kruis gebruikt als consultatiebureau voor zowel Garmerwolde als Thesinge. ‘Ieder kind dat in die tijd in onze dorpen is geboren is daar langs gekomen. In de keuken konden we ze horen huilen, er zat maar een smal halletje tussen. Verder konden we op zondagochtend de zondagschoolkinderen in de consistorie horen zingen. Dat had zeker wel charme.’
Ook komt er nog een ander verhaal boven water. ‘Toen we er net kwamen wonen wilden we een moestuintje en kippen en zo,’ vertelt Irene. ‘De vader van een van onze huisgenoten wilde wel een kippenhok maken en had daarvoor mooie stukken hout en palen gevonden in het koetshuis. Hij heeft daarvan een mooi hok gemaakt dat lang dienst heeft gedaan. Eind maart 1982 kwam Jan Wigboldus langs om de ereboog op te halen die altijd op Koninginnedag aan het begin van de Dorpsweg werd geplaatst. Deze lag volgens hem op de zolder van het koetshuis. Wij wisten niet waar hij het over had. Toen hij de ereboog beschreef, uit wat voor soort hout en palen het bestond, kregen we het ineens een beetje warm. Hij stond tien centimeter van de ereboog, inmiddels verworden tot kippenhok, vandaan. Vele jaren later, toen we al in Thesinge woonden, is dit voorval pas weer ter sprake gekomen en gelukkig kon Jan er hard om lachen.’
Tot de zomer van 1987 mochten Pluc en Irene de pastorie hun thuis noemen. ‘Het was heerlijk, fantastisch en absoluut bijzonder om er te wonen’, volgens Pluc. ‘We waren er graag langer blijven wonen, maar de kerk wilde al een tijdje van het pand af.’

1987-nu: De huidige bewoners
Sinds augustus 1987 bewoont de familie Mandema de pastorie. Na tien jaar op de Oude Rijksweg 27 te hebben gewoond verhuisden Han en Lieske met hun vier kinderen (de jongste was toen een jaar) naar de pastorie. Ze gingen dus van het kleinste naar het grootste huis van Garmerwolde. ‘Destijds waren we wel op zoek naar een groter huis’, zegt Han, ‘maar aan de pastorie hadden we eigenlijk nooit gedacht’. In het Nieuwsblad van het Noorden van 14 maart 1987 biedt de kerk de pastorie te koop aan in slechts één regel: ‘Fraaie pastorie te koop te Garmerwolde’ (zie http://kranten.kb.nl). Die ene regel tekst stond verder nogal verdekt in een advertentie waar ook allerlei andere kerkelijke goederen werden aangeboden, waardoor Han en Lieske hem over het hoofd zagen. ‘Een zwager wees ons er later op’, zegt Han, ‘toen ben ik er als de wiedeweerga naar toe gefietst - Pluc en Irene deden open - en hebben we eigenlijk een blind bod gedaan. Maar wel voor het hele complex, dus inclusief koetshuis en consistorie.’ Uiteindelijk konden Han en Lieske de pastorie kopen, maar wel onder beding dat er geen horecabestemming zou komen. ‘Er schijnen zich ook gegadigden uit ‘het bordeelmilieu’ te hebben aangediend; je kunt je voorstellen dat de kerk zoiets wilde voorkomen.’ Als gevolg moest de consistorieruimte wel elders. Dit leidde tot de bouw van de Kerkhörn, al moest hier helaas wel een mooie boomgaard voor wijken.
‘In de basis is het huis goed en degelijk, maar we hebben in de loop der jaren wel veel aan het huis moeten klussen’, zegt Lieske. De keuken was bijvoorbeeld helemaal scheefgezakt (nog steeds te zien aan het uitermate scheve deurkozijn), dus eerst werd een nieuwe, rechte vloer aangelegd. Verder werd door de Mandema’s de rest van de ‘moderniseringen’ van 1967 zo goed als mogelijk gerestaureerd tot het origineel. Het hout van de verwijderde blinden bleek bijvoorbeeld te zijn gebruikt voor het verlaagde plafond, dus die konden gelukkig deels in ere hersteld worden. Verder heeft het huis nogal wat loze ruimtes, dus achter de gipsplaten kwam af en toe nog wel eens iets tevoorschijn. Zo werd op zolder een hele inbouwkast blootgelegd, waarin in een hoek een popje uit de jaren vijftig lag.
Het huis brengt het nodige schilderwerk met zich mee. Een leuk detail is dat zoon Freek nu in het huis woont waar vroeger schilder Wolt woonde, die het houtwerk in de pastorie ook regelmatig van een nieuwe laag verf voorzag. Dit blijkt ook nog uit een stuk zinken dakgoot waarop iedere schilder die er ooit heeft gewerkt zijn naam en de datum heeft vereeuwigd.

201312c

De eerste steen(foto: Harjo de Poel)

In de loop der jaren kwamen er ook (kinderen van) oud-bewoners langs om te vragen of ze nog eens herinneringen mochten ophalen aan het huis. Hieruit alleen al blijkt hoe karakteristiek en bijzonder het moet zijn geweest om in de pastorie te verblijven. Zo is de zoon van dominee Niermeijer (met een r!, dominee van 1929-1944) langs geweest, en wilden de kleinkinderen van dominee Bakker nog eens dat geluid van het dichtschuiven van de majestueuze suitedeuren horen. Verder vertelden zij dat een van de nichtjes zich altijd verstopte in een kast op zolder. Dat popje bleek van haar te zijn.
Afgezien van het verhaal van de ongenode gast op zolder (zie de G&T online archieven, maart 1977), al met al geen klopgeesten, geheime tunnels, of andere mythen, maar louter warme verhalen. Dat is inderdaad het gevoel dat de pastorie oproept.
Op de zolder van het koetshuis ligt overigens wel nog steeds een gedeelte van de ereboog.

Harjo de Poel

Een huis met een verleden

201312d

Jan en Henny; Mieke, Miser en Hans; Pieter Jan en Wolter
voor de pastorie aan de Kerkstraat (foto: Mareen Becking)


In de pastorie, gebouwd in 1876, aan de Kerkstraat in Thesinge hebben heel veel mensen gewoond. Dominees met hun gezinnen wisselden elkaar af. Anita Reijmerink, lerares van basisschool De Til, woonde er, en een asielzoekers gezin. Ook Thesingers, zoals Jan en Henny Mollema (1974-1976) en Roelie en Wolter Karsijns (1988-2002) met hun drie kinderen, bewoonden het huis. Mieke van ’t Hoog en Hans de Rouw kochten de pastorie in 2002 en wonen er met hun dochter Miser de Rouw. Een huis met veel verhalen; dat blijkt wel als de (ex)bewoners zich verzameld hebben in de grote woonkamer. De pastorie ruikt nog altijd naar een oud huis met een verleden. Die geur roept meteen herinneringen op.

Een loeiende gasmeter
Voor Jan en Henny Mollema was de pastorie hun eerste huis samen en ze waren pas getrouwd. Hun zoon Alex werd er geboren. Henny mocht er graag wonen. Maar ze voelde altijd wel de druk dat ze eruit zou moeten als er een nieuwe dominee kwam.
Aan de achterkant van de pastorie, op het oosten, lagen de keuken en de studeerkamer. Als de oostenwind waaide kon je in die ruimtes niet zijn van de kou. In de eerste winter dat ze er woonde, schrok Henny van een vreemd geloei toen ze in de grote gang liep. Roelie en Wolter wisten meteen waar ze het over had: het geloei van de gasmeter. Het was een mechanische meter die in de winter als een dolle draaide. Die eerste winter moesten Jan en Henny duizend gulden bijbetalen bovenop hun al hoge gasrekening.
Roelie en Wolter hebben dezelfde herinneringen. Met koud weer en oostenwind werd het in de keuken niet warmer dan 14 °C. Ze aten dan in de woonkamer. Wanneer het maar even vroor moest je er altijd op verdacht zijn dat de leidingen niet bevroren. Soms hielden ze in tijden van storm en kou overdag de gordijnen aan de zijkant van de woonkamer dicht. Pieter Jan, hun jongste zoon, herinnert zich de koude slaapkamer met ijsbloemen op de ramen. Roelie en Wolter schaften uiteindelijk een elektrische deken aan, want als je koude voeten had dan kreeg je ze gewoon niet meer warm.
Maar de charme van een huis met hoge plafonds en hoge ramen is dat je meer merkt van het weer buiten. Als het hagelt dan hoor je hard gekletter op de ramen en als het stormt dan rinkelt het glas-in-lood.
Mieke en Hans hebben aan de oostkant al veel verbouwd, geïsoleerd en dubbele beglazing aangebracht. En niet voor niets kozen ze voor dichte velours gordijnen. Het huis is gelukkig een hoog en droog huis en wordt langzamerhand steeds comfortabeler.
In december 2002 kwamen zij in de pastorie wonen. Ze herinneren zich hoe heerlijk het was, ze hadden hun werk in Arnhem opgezegd en hadden een hele periode vrij. Toen het vroor die eerste winter schaatsten ze over het Maar en over sloten naar Groningen. Geweldig was dat. Hans herinnert zich ook nog die keer dat er sneeuw lag en dat hij langlaufend over de lege witte landerijen naar de stad ging. 

Een huis met veel leefruimte
Hans en Mieke genieten nog steeds van de ruimte in en om het huis. En het is gemakkelijk. Laatst gaven zij een feest en er konden boven met gemak vijftien mensen blijven slapen.
Toen zij er woonden, fietsten Jan en Henny wel voor de grap door de gangen van het huis en de oude keuken. Dat lukte best. Als de oudste zus van Jan met haar man en vijf kinderen op bezoek kwam, dan vond je ze niet meer terug in het huis. En met Oud en Nieuw hadden ze na 00.00 uur het hele huis vol.
Toen Wolter en Roelie in het huis woonden en er nog veel gesleept werd, had de jeugd tijdens de oudejaarsdienst de deuren van de kerk gebarricadeerd met kerstbomen. De kerkgangers konden alleen nog maar via via door de gangen van de pastorie naar buiten.
Volgens Roelie en Wolter was het een echt speelhuis voor kinderen. Verstoppertje spelen op zolder, alles kon. Neefjes en nichtjes kwamen regelmatig (tegelijk) logeren en tijdens feestdagen was er vaak en veel familiebezoek. Plaats genoeg. Met kinderfeestjes las Roelie soms een spannend verhaal voor in het ‘onderduikershol’. De kinderen vonden dat geweldig: een plek waar een onderduiker had gewoond! Op de overloop boven de trap kun je ook nu nog een brede plank wegschuiven (eigenlijk dus een geheime deur). Je komt dan in een grote donkere ruimte die van buitenaf onzichtbaar is. In die ruimte heeft, zo gaat het verhaal, in de oorlog een onderduiker gezeten. Voor kinderen een fantastische ruimte om te spelen en te fantaseren. Op een matras van de statige trap af roetsjen - dat was ook een favoriete bezigheid van de jeugd. De kinderen van Wolter en Roelie deden het en ook Miser van Hans en Mieke.
De huidige slaapkamer beneden heeft zelfs nog als klaslokaal gediend. Met de samenvoeging van kleuter- en lagere school in 1984 werd het gebouw van De Til verbouwd. Een groep kreeg les in de pastorie. En als het pauze was dan fungeerde de zolder als speelplein. 

Een prominent huis
Een pastorie huren heeft ook nadelen. Toen Jan en Henny het huis huurden hadden sommige leden van de kerkenraad nog wel eens de gewoonte om onaangekondigd binnen te komen. Henny herinnert zich dat zij na een late dienst van haar werk ’s ochtends uitsliep. Ze hoorde voetstappen in het grind en de deur ging open. Ze was nog jong en kroop van schrik in de grote bedsteekast van de slaapkamer. Er kwam iemand met monteurs binnen. Ze bleef uiteindelijk een uur in de kast zitten. Hoe langer ze erin zat, hoe lastiger het werd om tevoorschijn te komen. De monteurs deden hun werk en gingen daarna nog even met een racebaan die in de studeerkamer was opgesteld spelen. De volgende dag heeft Hennie met een leugentje om eigen bestwil de sleutel gevraagd. Ze zei dat ze zichzelf had buitengesloten. Toen ze de sleutel kreeg dacht ze bij zichzelf: ‘Zo, die sleutel houd ik.’
Ook Roelie en Wolter voelden als huurders, met name in de beginjaren, de sociale druk om te wonen in het huis van ‘iedereen’. Het moest er allemaal netjes uitzien. Af en toe werd dit gevoel bevestigd door ongevraagde bemoeienis met het dagelijkse onderhoud van huis en tuin. Gelukkig veranderde dit met het verstrijken van de jaren.
Allemaal herinneren ze zich het geluid van vallende kastanjes op het dak en de dakgoot. De schoolkinderen die kastanjes zoeken in de voortuin. Het geluid van de houtduiven ’s ochtends vroeg bij het wakker worden. Een kenmerkend geluid. Toen Hans, Mieke en Miser van een lange reis naar Ethiopië terugkeerden, merkte Miser de eerste ochtend dat ze weer thuis waren op: ‘Mama, ik hou toch zo van het geluid van Hollandse duiven.’ Dat geluid was voor haar thuis.
Het is een huis waar veel mensen gewoond hebben en waar veel mensen geweest zijn: een huis met een verleden. Dat merkten Hans en Mieke toen ze buitenom de pastorie begonnen op te knappen. Als ze aan het schuren of schilderen waren, kwamen er veel mensen langs met verhalen en herinneringen. Het was, het is en blijft een heerlijk huis. Daar zijn ze het allemaal over eens.

Irene Plaatsman

‘t Mout eerst minder worden, veurdat t beter wordt!’

201312e

Theo en Eveline (en kat) voor hun geliefde pastorie
aan de Kapelstraat (foto: Mareen Becking)


De pastorie bij de Kloosterkerk, waar Theo de Wit en Eveline Hilhorst in 1981 zijn gaan wonen, is gebouwd in 1830. Deze informatie werd door Haye van den Oever gevonden in het archief in Groningen. In een verslag over de geschiedenis van het Thesinger klooster Germania schreef hij in 1994: ‘De oude pastorie was aan de kerk vast gebouwd zodat men door slechts een deur te openen in de kerk kon komen. Deze werd in 1829 afgebroken en vervangen door de huidige pastoriewoning waartoe onze koning ‘eene subsidie verleende van 2700 florijnen’. Koning Willem I was voorstander van de Nederlands Hervormde Kerk als staatskerk en vanuit dit idee werd door deze koning subsidie verstrekt voor de bouw van de pastorie. De eerste bewoners van de pastorie waren de leden van de familie Buisman. Dominee Buisman verloor twee vrouwen bij de geboorte van hun kind en is zelf volgens de overleveringen in 1839 van verdriet gestorven. Naast het baarhuisje op het kerkhof staan op een grafsteen hun namen te lezen.

Sterke verhalen
Sinds 1981 is er flink geklust in de pastorie. In de voorkamer is het plafond van zachtboard verwijderd en werden de prachtige balken in ere hersteld. Oude verflagen werden er afgekrabd en uit de scheuren die in de balken zaten kwam als opvulmateriaal stukken krant en een rekening uit 1827 tevoorschijn. Theo en Eveline hebben dit als curiositeit bewaard evenals een krant uit 1906 die achter de betegelde wand geplakt was. In die krant uit 1906 werd geschreven over de verwoestende aardbeving in San Francisco. Dat was ook het jaar waarover opa Roelf Ridder vertelde dat hij als kleine jongen stenen van de oude pastorie had gebikt. Op de binnenmuur van de voorgevel staat het jaartal 1906 en de namen van de mensen die de renovatie uitvoerden. Theo en Eveline hebben hun namen er voor de geschiedenis onder gezet toen deze wand kaal was.
Aan het begin van de vorige eeuw was de kunststroming Jugendstil populair en uit die tijd stamt het glas dat in een van de binnendeuren zit. Ondanks dat er een scheur in het glas zit vinden Theo en Eveline het de moeite waard om het te laten zoals het is. Bovendien zit er een mooi verhaal aan vast. Theo liep zo'n vijftien jaar geleden buitenom te klussen toen een man in gezelschap van drie vrouwen ongevraagd zijn huis binnenstapte en de man rechtstreeks naar de kelder liep alwaar hij de dames toevoegde: ‘zie je nou wel, wat een lelijke kleur blauw!’ De man was als kind vaak voor straf in de kelder gezet. Zijn ouders huurden een deel van de woning met nog een of twee gezinnen. Dit jongetje De Vries wist ook te vertellen dat hij met meerdere kinderen tijdens kerkenraadsvergaderingen op de zolder boven de voorkamer stond te springen. Als gevolg daarvan vielen de noesten uit de balken op de hoofden van de leden van de kerkenraad. Ditzelfde stoute ventje zou een knikker op de mooie ruit in de deur gegooid hebben.

Band met het huis
In januari 1964 heeft de Nederlands Hervormde Gemeente de pastorie van Thesinge, na een veiling, verkocht aan Willem Plijter, wonende aan De Dijk 16, voor 5700 gulden. Jaren later zagen Theo en Eveline in het Nieuwsblad van het Noorden een piepkleine advertentie staan. Te koop: pastoriewoning in Thesinge. Bij hun eerste bezoek aan Thesinge werden ze heel hartelijk ontvangen door Willem en Liefke Plijter. Voor hen werd het huis te groot en zij hadden een huis in de Bakkerstraat op het oog. Na veel wikken en wegen besloten Theo en Eveline het huis te kopen met in het achterhoofd dat ze de volgende tien jaar zeker niet met vakantie zouden kunnen!
Behalve de kranten achter het behang en het papier dat tussen de balken zat was er nog meer informatie te vinden op verschillende plekken in het huis. Schilder Kol schreef in 1972 in het zink van de dakgoot boven de voordeur dat de restauratie van de Kloosterkerk 600.000 gulden had gekost. Ook schreef hij hierbij dat het schilderwerk werd gedaan door zijn schoonzoon en opvolger Harm Hofstede.
Veel dorpsgenoten hebben een band met dit huis omdat ze er zelf, of familie van hen, gewoond hebben. Of door herinneringen aan een lieve domineesvrouw die kinderen warme chocolademelk gaf. Dit vertelde schilder Klaas Kol ooit over zijn jeugd rond 1920. Eveline en Theo hebben gehoord dat er onderduikers zaten boven de bedstee in de voorkamer en dat deze mensen net op tijd weggekomen zijn voor verraders. In de kelder vond Theo in een donker hoekje, behalve de nodige muizenvallen, ook een kunstgebit! Dit is nooit door iemand opgeëist.

Sfeervol huis
Wat een werk hebben de huidige bewoners, met heel veel hulp van plaatselijke bouwvakkers, verzet. Jan Derk Slagter legde leidingen aan voor gas, water en elektriciteit. Harm Hofstede zette dubbel glas en een piepjonge bouwvakker, Appie Ridder, hielp met het storten van de betonvloer. Het is Eveline wel eens te gortig geweest. Ze herinnert zich de periode waarin de kozijnen van het voorhuis door aannemer Kol en timmerman Jan Balkema werden vervangen en de wind door de kamer waaide. Bij slager Havenga in de zaak kreeg ze het even te kwaad en toen troostte de vader van Jan Balkema haar met de woorden: ‘wicht, t mout eerst minder worden, veurdat t beter wordt!’ Die nuchtere hartelijkheid in het dorp heeft hen vanaf het begin het gevoel gegeven welkom te zijn.
Theo herinnert zich de dag van de verhuizing en dat zij de gaskachels niet aan de praat kregen. Direct waren de oude bewoners, Willem en Liefke, bereid om hen hierbij te helpen. De verhuizers lieten erg op zich wachten en Theo wilde bellen om te horen waar ze bleven en ging op zoek naar een telefoon. Bakkersvrouw Wierenga liet hem binnen om haar telefoon te gebruiken. De verhuizer was vanuit Leeuwarden, ondanks dat Theo hem had gewaarschuwd, toch naar Ezinge was gereden. De spullen zijn met een omweg goed op stee gekomen en na 32 jaar is dit een goede bestemming gebleken. 

Truus Top

 

Indrukwekkende verhalen van vroeger

201312f

Sybolt Oudman laat een foto van Germania zien
(foto: Truus Top)

 
Op zoek naar gebeurtenissen in het dorp die grote indruk hebben gemaakt lopen we op een woensdagochtend binnen in dorpshuis Trefpunt in Thesinge. Elke woensdagochtend ontmoet een tiental oudere dorpsbewoners elkaar hier om koffie te drinken, bij te praten, een spel te spelen of om te genieten van wat Janna Hofstede samen met de bezoekers van de Verzoamelstee op het programma heeft. Dit kan van alles zijn. Een lezing, film kijken, uitstapje, informatieve ochtend of iets creatiefs doen. Zo nu en dan sluiten ze de inloopochtend af met een etentje. En het jaar wordt afgesloten met een heerlijk kerstdiner, bereid door Clara van Zanten. Janna is al twee en een half jaar de motor achter de Verzoamelstee. Zij heeft ons bezoek al aangekondigd bij de vaste groep bezoekers en Lucie Kol en ik luisteren naar heel veel verhalen die gemakkelijk opborrelen.

Storm
We hebben net een flinke storm achter de rug op maandag 28 oktober jongstleden maar deze was niks vergeleken bij de storm van 13 november 1972. Dat is op de ochtend van dit gesprek op de dag af 41 jaar geleden! Ook toen was er heel veel schade aan huizen en vielen bomen om als luciferhoutjes. De molen ’Germania’ is toen op het nippertje gered door een viertal moedige Thesingers. Dit blijkt uit een oorkonde die Sybolt Oudman laat zien; een grote ingelijste foto van de opening van de molen na de restauratie in 1972 met op de achterkant een dankwoord van de burgemeester en wethouders voor Luit Oomkes, Piet van Zanten, Jan Hendrik Huisman en Sybolt Oudman. Doordat de wieken van de molen met de rug naar de wind stonden en de rem het niet kon houden, ontstond er zoveel wrijving dat er brandgevaar bestond voor de op dat moment al bijna geheel gerestaureerde molen. Timmerman Huisman zat bij de brandweer en met vier man is men in de vliegende storm, op de knieën zodat ze er niet vanaf werden geblazen, over de omloop gekropen. Het lukte om de wieken dwars op de wind te krijgen en een brand te voorkomen zodat de molen werd gered van de ondergang. In januari 1973 werd de gerestaureerde molen Germania genoemd en feestelijk geopend.
Janna Hofstede vertelt dat zij met andere jongelui uit het dorp in die storm toch op weg waren gegaan naar de MAVO in Bedum. Op laank ènd, tussen Lutjewolde en Bedum, werden ze van de weg geblazen en tot overmaat van ramp vloog de boekentas van een van de jongelui open en waaiden alle boeken en schriften in het rond. Een vrouw uit Lutjewolde kwam in haar Kever vanuit Bedum aanrijden. Ze draaide het raampje naar beneden en zei: ‘Ik kan jullie niet meenemen, ‘k ben bang dat mijn deur eruit waait.’ Verbaasd bleven ze achter. Uiteindelijk zijn ze door een busje met timmerlieden naar huis gebracht.

Verdriet
Het jaar 1963 komt op meerdere momenten in de herinnering. De moord op J.F. Kennedy op 22 november weet iedereen zich te herinneren als de dag van gisteren. Maar ook dat er in die herfst door ernstige ongevallen jonge Thesingers zijn omgekomen. Piet Holtman was student en zat in één van de vier VW-busjes die studenten uit Groningen naar een sportdag in Emmen vervoerden. In dichte mist botste het eerste busje frontaal op een tegenligger. Piet Holtman is daarbij omgekomen. Dit verlies veroorzaakte veel verdriet bij de familie en ook het hele dorp leed mee. Vlak daarna kregen de 24-jarige Klaas Kuizenga en de 25-jarige Klaas Robbe een motorongeval op de afsluitdijk. Klaas Kuizenga is daarbij omgekomen. Klaas Robbe is na ruim vier maanden in coma te hebben gelegen ook overleden op 5 november. Wat een verdriet in zo'n kleine gemeenschap.

Natuur
Aan de winter van 1963 kwam haast geen eind. Net als in 1979 was Thesinge tijdelijk van de buitenwereld afgesloten. Met sneeuwblazers werd de weg weer vrijgemaakt. Voor het café van Tonny en Roelie Dijkema werd de sneeuw zo hard van de weg geblazen dat in huis de kachels uitwaaiden en de voorkant van het huis verdween achter de sneeuwbulten. Roelie: ‘Wij werden wakker van gekletter tegen de ruiten! Veel dorpsgenoten hielpen mee om de weg vrij te maken en de gemeentesecretaris betaalde zijn goedkope arbeidskrachten met een royale borrel. Dat was dus wel weer een meevaller voor de caféhouders.’ Sybolt Oudman vertelt dat aan het eind van de dag een dronken helper in de bak van een sneeuwschuiver werd gehesen en toen met een hoeraatje in een dichtgesneeuwde sloot werd gelost.... ‘Het was een losbandige zondag na een kroug vol bij Dijkema’.
De winter van 1963 was ook heel streng. Er vond een Elfstedentocht plaats met als winnaar Reinier Paping. Iedereen volgde het radioverslag want televisie was nog heel schaars. In ditzelfde jaar kon je met de auto het IJsselmeer oversteken van Stavoren naar Enkhuizen. Voor de geboorte van hun eerste kind moesten Frouk en Hendrik Holtman vanuit de Klunder (poldergebied vlak buiten Thesinge - red.), omdat de bevalling thuis niet opschoot, toch nog naar het ziekenhuis. Lopend bereikten ze het dorp waar zwager Frits Oudman met de auto stond te wachten. Zo nu en dan werd er op het paadje langs het Maar een wee opgevangen. Dat was volgens de verhalen door Frits in de heldere vriesnacht op afstand goed te horen! Toen Saskia Holtman met haar ouders weer naar huis mocht werd zij op een slee over het ijs getrokken. Toen kon je zó doorlopen tot aan de boerderij. Er lagen nog geen dammen in het Maar. Hans Meinds, die vanuit Ruischerbrug op de schaats in Thesinge was, herinnert zich de dikke laag ijs in het Maar en alle dode vissen die daarin lagen. In zijn herinnering ziet hij nog de snoek van wel een meter lang onder het ijs liggen. De tafelgenoten in Trefpunt verdenken Hans ervan dat de snoek elk jaar een paar centimeter langer is geworden.

Grappen en grollen
Veertig jaar geleden werd er met Oud en Nieuw flink geplaagd en werden er grappen uitgehaald. Dat ging ook wel eens te ver. Roelie Dijkema vertelt over de nieuwjaarsochtend waarop het gezin wakker werd van de stank van mest die voor de deur van hun café was gedumpt. De reden was hen duidelijk. Men pikte het niet dat het café in de oudejaarsnacht gesloten was. Hetzelfde lot trof ook café Schipper, de huidige woning van de burgemeester, aan de haven.
Er werden ook leuke grappen uitgehaald. Bij Lammert van Dijken in de Luddestraat viel op dat hij altijd veel houtvoorraad had. Vroeger hadden veel mensen een bijnaam en hij werd Lammert Holtje genoemd. Op het schoolplein stond op nieuwjaarsochtend met dit stookhout heel groot LAMMERT HOLTJE geschreven. Het gezelschap in Trefpunt vraagt zich tot op de dag van vandaag af wie er in staat waren een boerenkar vol mest op de school te hijsen zonder enige schade aan te richten. Willen de daders nu eindelijk eens opstaan?!
En nog meer goedmoedige oudejaarsstunts komen ter sprake. De keer dat alle fietsen van de gereformeerde en de christelijk gereformeerde kerkgangers op oudejaarsavond met elkaar werden verwisseld. Het kerkvolk moest er ook aan geloven toen jaren later de deuren na afloop van de dienst geblokkeerd bleken te zijn met pakken stro. En wie herinnert zich nog de wanorde die in de kerk ontstond toen tijdens de oudejaarspreek een vogel werd losgelaten op de galerij?

Winters
Er zijn ook veel mooie verhalen over ijs en schaatsen. Achter de Bakkerstraat liep een diepe sloot, Moekemeras. Op die sloot hebben alle kinderen van toen het schaatsen geleerd en als ze dat goed onder de knie hadden scheuvelden ze zo de wijde wereld in van Thesinge naar Zuidwolde en verder het Hogeland op of richting het Damsterdiep. Er werden toen veel kortebaan- en estafettewedstrijden georganiseerd. Daar waren voor die tijd flinke geldprijzen mee te winnen. En op de ijsbaan gaven boer Goenze en zijn vrouw, die van oorsprong uit Zeeland kwamen, een demonstratie schoonrijden ten beste. In Zeeland was dit toen een soort volkssport. En samen met je vriendin aan een stok schaatsen was het toppunt van romantiek! Je was je vroeger meer bewust van vorst en kou. Hout en kolen halen voor de kachel en warm water maken bezorgde behoorlijk wat extra huishoudelijk werk. In 1963 waren er al geisers op gas. De oudste zoon van Sybolt en Trijn Oudman werd geboren in januari van dit jaar en toen er warm water nodig was bleek de gasfles bevroren te zijn. De gasfles werd ontdooid naast de kachel waarmee het probleem werd opgelost. Zuster Steenhuis, de vroedvrouw die bij de bevalling assisteerde, was een kordate dame en had overal wel een oplossing voor. En als de kraamvrouw het even zwaar had, dan zei ze ijskoud: ‘Nait jammern, joe hebb'n d'r ook plezaair van had!’ De Verzoamelstee-bezoekers beleven ‘veul plezaair’ aan het opdissen van oude verhalen en levendige herinneringen.

Truus Top


De kat van Garmerwolde: dier van heksen en demonen

201312g

De 'leeuw'van Garmerwolde(foto: Cees Leurs)


Kan een demon er zo angstaanjagend uitzien dat zelfs andere demonen er bang voor worden? Dat als bijvoorbeeld een demon een soortgenoot van ‘m op een gebouw ziet, hij zelf dat gebouw niet binnen durft te gaan? In de middeleeuwen dacht men van wel. Men ging er van uit dat duivels en boze geesten in bepaalde opzichten net mensen waren en net zo bang waren voor duivels en boze geesten als zijzelf. Men gebruikte daarom verbeeldingen van hen, om hen te weren en te verdrijven. In de kerkenbouw uitte zich dat in een letterlijk monsterachtige vormgeving van de uiteinden van de dakgoten. 

Omdat het buizensysteem nog onbekend was, moest het regenwater op afstand van muur- en metselwerk van de kerk afstromen, om aantasting ervan te voorkomen. Dus liet men dakgoten enigszins buiten de kerk uitsteken, waar het water dan vrij kon weglopen. Reeds in het oude Egypte en het klassieke Griekenland figureerde men de uiteinden van goten aan gebouwen als koppen van dieren, vooral leeuwen waren hiervoor geliefd. In de christelijke middeleeuwen transformeerden deze in de zogenaamde waterspuwers: een schier oneindige verscheidenheid aan duivels, monsters, bezeten mensen en wat de beeldhouwers - die zich hierin volledig mochten uitleven - maar aan wanstaltigheden konden verzinnen. Door hun afschrikwekkende uitstraling hielden ze - in de ogen van de middeleeuwers - de kerken vrij van boze machten en kwade invloeden.

Gargoyles
In hun oorspronkelijke Frans/Engelse benaming heten ze ‘gargoyles’, naar het geluid dat ze maken als ze het water uitspuwen (denk aan gorgelen). De gedrochten werden zo populair dat het later ook wel zelfstandige ornamenten werden, los van hun functie als waterspuwer. De Nôtre Dame te Parijs is er beroemd mee geworden. De kathedraal van St. Jan in Den Bosch wordt er rijk door bevolkt. En - hoewel door veel mensen ongezien - ook op de hoeken van de transen van de Groninger Martinitoren, doen versteende fabeldieren tot op de huidige dag hun bezwerende werk.
Voor het overige zijn gargoyles aan Groninger kerken zeer zeldzaam. Een ervan vinden aan de kerk van Garmerwolde. Geïnspireerd door de kerk van Noordwolde - waaraan zich nog een origineel, door de tand des tijds zwaar aangetast exemplaar bevindt - werd hij in de jaren ’40 van de 20e-eeuw vervaardigd van zandsteen en tijdens een toenmalige restauratie aan de kerk bevestigd. Aan de buitenzijde van de noordwand van het koor, fungeert hij als afvoer van de zogenaamde piscina, het bekken binnenin het koor waarin de predikant ritueel zijn handen waste en het bij de mis gebruikte vaatwerk werd afgewassen.

Poeslief of hels gebroed?
Vergeleken met het helse gebroed dat in de middeleeuwen op veel kerken woekerde, doet de waterspuwer van Garmerwolde braafjes, ja misschien zelfs wel een beetje grappig aan. Hoewel niet geheel anatomisch correct vorm gegeven, is er duidelijk een kop in te zien. Maar waarvan? De kop werkt enigszins bevreemdend maar jaagt geen schrik of angst aan, een duivel of boze geest kan het dus niet zijn. Een dierenkop ligt voor de hand - en dan lijkt hij nog het meest op een kat. De kat, tegenwoordig een van ’s mensen beste viervoetige vrienden. Moet die boze machten op een afstand houden? Het zou heel goed kunnen, want in de middeleeuwse gedachtegang was een kat een kwaadaardig dier. Hij werd beschouwd als personificatie van Satan en trouw metgezel van heksen. De kat stond in die tijd net als zijn bazin de heks, bloot aan vervolging en verbranding. De associatie van de grillige kat met (vrouwelijke) kwaadaardigheid leeft ook nu nog voort in uitdrukkingen als ‘kattig gedrag’, ‘zij is een kat’ of ‘wat is zij een kattenkop!’. De kat bracht ongeluk. Wie kan daar, de middeleeuwse denktrant volgend, dan beter tegen beschermen dan de kat zelf?
De leeuw uit de Klassieke Oudheid veranderde in Garmerwolde in de gedaante van een klein familielid van hem: een kat. Een echte gargoyle, hoewel ze er poeslief uitziet.

Stichting Oude Groninger Kerken


Sterke verhalen in Garmerwolde

201312h

Jan Wolt in minder erbarmelijke tijden (foto: Henk Vliem)


De dinsdag voor Sinterklaas liep ik even Bloemhof in Ten Boer binnen om een afspraak met Jan Wolt te maken. Jan Wolt, vorige week vijfennegentig geworden, is onze oudste abonnee (als ik het goed heb) en volgens mij moest Jan wel enkele sterke verhalen kennen dus ik wilde die wel eens horen. Maar volgens Jan zou dat nog niet meevallen, er was zo een, twee, drie niets dat hem te binnen schoot. Dat hoefde nu ook niet meteen, zei ik, want ik kwam nu enkel om een afspraak te regelen. En die sterke verhalen mochten ook best verhalen over ‘opmerkelijke’ zaken zijn. Wel, Jan zou er eens over nadenken. Wat schetste mijn verbazing toen ik de vrijdagochtend daarop langskwam: ik kreeg meteen een compleet verhaal. Jan had er over nagedacht, zei hij, en toen hij een geschikt onderwerp had gevonden had hij dat meteen maar uitgewerkt en opgeschreven. Hij excuseerde zich voor zijn slechte handschrift en ik moest het meteen maar even voorlezen zodat hij kon checken of ik alles wel kon lezen. Dat ging prima en hier leest u zodoende Jan Wolt z'n eigen verhaal.

Henk Vliem

Huisvesting anno 1945 – 1951


1945
De oorlog was afgelopen en alles begon langzamerhand weer op gang te komen. Iedereen kreeg weer moed en begon aan de wederopbouw. Zo ook wij. Imke en ik hadden al vanaf het begin van de oorlog verkering en wilden heel graag aan het grote avontuur beginnen. Dat viel nog niet mee. We hadden vrijwel niets en ook geen woning. Wel goede moed. Voor een woning moest je ingeschreven staan bij de gemeente en als er iets beschikbaar kwam kreeg je bericht. Begin september was het zover. We kregen een woning aangeboden aan de Oude Rijksweg 31 te Garmerwolde. Het was geen geschikte woning maar dat was bijzaak. Het was altijd een eengezinswoning geweest en we moesten het nu met een ander gezin delen. Met Jannes van der Molen en Geertje. Die hadden nog meer verlet dan wij want Geertje was bijna uitgeteld. Zij kregen de ene helft met voordeur en gang met kamer, achterhuis en achterdeel met koestallen. Dat laatste kwam Jannes goed uit want hij was veehandelaar. De andere helft van het huis kregen wij, met kamer en bedstee, een doorloop en een gang naar de buitendeur opzij. Daarachter een vertrek dat een keuken moest voorstellen. De WC hadden we gezamenlijk en die bevond zich helemaal achteraan bij de stallen. Het was een houten geval boven de gierkelder. Doortrekken hoefde niet en de aroma kwam je tegemoet. We zijn toen 25 september getrouwd, wat ook nog een probleempje opleverde. Ik had geen toonbaar pak meer en dat was toen ook niet, betaalbaar, te krijgen. Een goede kameraad had de oplossing. Hij had dezelfde maat en nog een goed kostuum. Daar ben ik in getrouwd. Direct de eerste avond na onze trouwdag moesten we op kraamvisite bij Jannes en Geertje. We hebben ongeveer een jaar met hen onder hetzelfde dak gewoond en dat ging met de nodige aanpassingen, prima. Jannes heeft in dat jaar nog clandestien een schaap geslacht waar wij ook volop van hebben geprofiteerd. Na een jaar zijn ze vertrokken naar Holwierde. Ze hadden daar meer ruimte voor de handel.
Roelf en Bertha Veenstra werden toen onze medebewoners. Ze waren er nog maar nauwelijks, toen werd Andreas geboren. Even eerder was bij ons Gieni geboren. Het was een vruchtbare plek. Enige jaren later kwam bij hen Aukje en bij ons Harma er nog bij. Roelf was toen boeskoolboer. Het land lag bij Ruischerbrug. Hij kon de stallen goed gebruiken voor de winteropslag van zijn kolen.

1947
De lange strenge winter van 1947 kan ik me nog goed herinneren. De vorst drong overal door. De melk stond 's morgens bevroren bij ons op tafel. Roelf moest zijn kolen dooi houden. Hij plaatste op enige afstand van elkaar drie stropakken en daar bovenop drie petroleumstellen, gemaakt van Engelse biscuitblikken. Alles heel wankel en zeer brandgevaarlijk. Imke durfde bijna niet te gaan slapen. Er waren ook ongenode kostgangers. Als er 's avonds nog iemand naar de WC moest en de staldeur opende, dan renden er zeker wel tien dikke ratten voor je uit. Nu zijn ratten wel heel slimme beesten en worden ze in ziekenhuizen als proefkonijn gewaardeerd, maar wij konden die waardering niet opbrengen. Op een zeker moment waren ze geheel verdwenen. Toen bleek dat er een bunzing aanwezig was. Daar hadden ze bepaald geen vriendschap mee gesloten.
Roelf en Bertha zijn na een paar jaar weer vertrokken. Ze hebben een bouwkaswoning laten bouwen aan de Grasdijkweg en ze zijn daar toen een kwekerij begonnen. De laatste twee jaar hebben we er samengewoond met Albert Mulder en Bouwien. Ook goede buren. We hebben het toen nog meegemaakt dat we midden in de nacht wakker werden geroepen en dat het Damsterdiep overliep. Met de gezamenlijke buurt moest er dan een dijk aangelegd worden midden op de Oude Rijksweg. We deden dat met koemest van Tonie Ebeling. Het water bleef er dan achter staan. We hebben nog beleefd dat voor het huis het Damsterdiep overliep en achter het huis ook alles blank stond. Het water liep over de drempel naar binnen. Het poldergemaal naast café De Leeuw was dan natuurlijk net weer eens stuk.
We hebben er bijna zes jaar gewoond. Naar maatstaven van nu gerekend onder erbarmelijke omstandigheden, maar dat is voor ons nooit een probleem geweest. Het was een gezellige en kinderrijke buurt waar ik nog altijd met plezier aan terugdenk. Gieni is destijds nog bijna verdronken. Als Simon Broeksema niet toevallig was langsgekomen en haar niet op de wal had getrokken dan had ze het niet kunnen na vertellen. Ze was al spelend (blindemannetje) te water geraakt.

1951
Toen wij er uit gingen naar de Dorpsweg zijn Kees Klei en Mientje er in getrokken. Die woonden eerst nog samen met Mulder, maar later woonden ze alleen in het hele huis. Daarna kwam Dümmer er. En nog weer later heeft Kressin er gewoond. Die heeft het huis een totaal andere indeling gegeven. Kressin is kort geleden overleden. Wie er nu woont, weet ik niet.

Jan Wolt