G&T2013

Maandelijks Nieuwsblad voor Garmerwolde, Thesinge en omstreken

40e jaargang - oktober 2014

Harm Jan Havenga

Ambachtsman in hart en nieren

201410

Harm Jan met zoons Peter (links) en Johan (foto: Katja Havenga)

 

In 1964 begon Harm Jan Havenga met zijn aannemersbedrijf aan de Oude Rijksweg 11 in Garmerwolde. In 2001 namen beide zoons, Peter en Johan, het bedrijf van hun vader over. Dit jaar bestaat het bedrijf vijftig jaar. Alle reden om eens met oprichter Harm Jan te gaan praten.

Hoe het begon
Na de ambachtsschool werkte Harm Jan bij een aannemer in de stad. Die stimuleerde hem een aannemerscursus te volgen en zei daar bij: ‘Als je je diploma hebt moet je voor jezelf gaan beginnen.’ Daar had Harm Jan wel oren naar. Hij was 24 jaar toen hij met zijn aannemersbedrijf begon en de eerste opdracht kreeg hij van zijn ex-baas: een spiksplinternieuwe boerderij bouwen in Eelderwolde. Harm Jan begon met één man personeel maar moest, omdat het een behoorlijke klus was, meteen een man of vijf inhuren.
In 1965 trouwde hij met apothekersassistente Hannie en ze gingen aan de Oude Rijksweg 12 wonen. Achter dat huis had hij een grote loods gebouwd voor opslagruimte. In het dorp waren er best wel twijfels of het die jongen van Havenga wel zou lukken. Er waren al drie timmerbedrijven in Garmerwolde. Maar het lukte best. Hij had verschillende opdrachtgevers, waaronder bijvoorbeeld de Rijksuniversiteit (RUG) en de Agrarische Unie.
Harm Jan kocht een bedrijfsauto, knapte een aanhanger op en trok eropuit door de hele provincie of naar Drenthe. Rond 1970, ‘toen Lewenborg (wijk van Groningen - red.) nog een zandvlakte was’, was hij betrokken bij de aanleg van die wijk, onder andere door het bouwen van rioolputten.
‘Het is nu bijna niet meer voor te stellen’, vertelt Hannie, ‘maar we hadden in het begin nog geen kantine, dus het personeel of de vertegenwoordigers kwamen aan de keukentafel voor koffie of om mee te eten met mij en de drie kinderen. Er moest altijd iemand thuis zijn bij de telefoon, want je had geen mobiele telefoon. Er waren geen bouwmarkten, dus als iemand een onsje spijkers nodig had, dan woog ik ze met een huishoudweegschaaltje af.’
Harm Jan herinnert zich ook dat hij regelmatig bij thuiskomst meteen weer moest vertrekken voor een opdracht. Hij werd ook wel ’s nachts weggeroepen als er ergens een inbraak was geweest of als er een slot vervangen moest worden. ‘Gelukkig werd het gemakkelijk toen we semafoons kregen. Als ik dan ergens aan het werk was, kon ik opgepiept worden. Dan moest ik nog vaak wel op zoek naar een telefoon in de buurt om terug te bellen.’ Hij ging wel met zijn tijd mee en eind jaren tachtig had hij op advies van medewerkers van de RUG al een computer voor zijn administratie, maar een echte fan is hij er nooit van geworden.

Passie voor bouwen
Het bouwen van dingen deed Harm Jan van jongs af aan. Toen hij nog op de ambachtsschool zat, bouwde hij een zeilboot op de zolder van zijn ouders. Als ma vroeg hoe de zeilboot ooit van zolder af moest komen, zei Harm Jan: ‘Door het trapgat.’ Maar dat lukte natuurlijk nooit. Dus de zeilboot kon pas van zolder worden weggehaald (stiekem, toen pa en ma er niet waren), en wel door het dak. Het dak werd open gemaakt, en toen de boot van zolder was getakeld werd het zorgvuldig gedicht. En of z’n ouders net deden of ze het niet door hadden? Misschien vonden ze het ook wel best.
Iets creëren, iets maken uit het niets, dat is wat Harm Jan het liefste doet. Het meest uitdagende is wanneer er echt oplossingen voor problemen moeten komen. Vooral als iemand denkt dat iets bouwtechnisch onmogelijk is, ja dan is het het mooist om er uiteindelijk toch een oplossing voor te vinden. Zelfs nu hij niet meer in het bedrijf werkzaam is, klust hij nog vaak aan zijn zeilschouw ‘Tante Sien’ in het Damsterdiep. En ondanks het feit dat hij ’s avonds regelmatig tot een uur of tien op kantoor te vinden was, heeft hij nooit spijt gehad van zijn keuze om een aannemersbedrijf te beginnen.
Hoe druk Harm Jan het ook had hij maakte tijd vrij voor sport. In de jaren zestig was hij trainer en coach van de zeskampploeg uit Ten Boer. Met de ploeg kwam hij regelmatig op televisie. Harm Jan en Hannie waren beide achteraf opgelucht dat de ploeg werd uitgeschakeld, net voor de ploeg naar het buitenland moest; de bevalling van zoon Peter stond eraan te komen. Het kwam ook regelmatig voor dat de fietsvrienden Uitham en Hamming met de racefietsen voor de deur stonden om ’s avonds een tocht te maken. En als fanatiek schaatser was Harm Jan een van de eersten die mee deden aan de alternatieve Elfstedentochten in Zweden en in Finland.

Havenga Bouw VOF nu
Johan en Peter zijn al vanaf 1994 in het bedrijf opgenomen en hebben het in 2001 overgenomen. Met hun ervaring willen ze het liefst ‘oplossingsgericht meedenken’ met de klant. Ze willen niet heel groot worden, maar klein en flexibel blijven zodat er een directe communicatie met de klant kan worden onderhouden. Zoals het nu gaat is de familie tevreden.
De werkzaamheden van Havenga Bouw VOF zijn nog steeds divers en ook internationaal. Er staat een nieuwe molen ‘De Immigrant’ in Fulton op de dijk van Mississippi in de VS. Peter ontwierp de onderbouw voor de molen die bestemd was als expositieruimte en Johan bouwde in de VS mee aan het project. Toen het klaar was, is de hele familie afgereisd om bij de opening aanwezig te zijn. ‘Dat was een hele bijzondere belevenis’, volgens Hannie en Harm Jan. Verder ontwierp het bedrijf bijvoorbeeld ook twee uitkijktorens aan het Zuidlaardermeer. Er zijn nog steeds opdrachtgevers zoals de RUG, Waterschap Noorderzijlvest, gemeenten Groningen en Ten Boer en ook particulieren. En de aanpak van aardbevingschade is erbij gekomen.
Harm Jan en Hannie wonen nu aan de Koningsheert 4, een project dat hij in eigen beheer gerealiseerd heeft. Sinds hij zich in 2005 helemaal teruggetrokken heeft, geeft hij af en toe nog wel een technisch advies aan het personeel bijvoorbeeld over het gebruik van machines. Dat wordt nog steeds op prijs gesteld door de medewerkers. Maar verder besloot hij zich niet meer met het bedrijf te bemoeien. Dat betekent niet dat hij er niet dagelijks te vinden is. Hij klust wat aan zijn boot, ruimt wat op, drinkt een kopje koffie mee en maakt een praatje met diegenen die op de zaak aanwezig zijn of langskomen. En in de kantine worden nog vaak herinneringen opgehaald worden, want vijftig jaar is een heel lange tijd.

Irene Plaatsman