Tijdens zo’n pelgrimstocht
kom je tot jezelf. Je hebt immers alle tijd om eens rustig na te denken.
Op één van de internetsites is dit als volgt verwoord: “Een pelgrimage
is een tocht naar een plek van spiritueel belang met de bedoeling om
inzicht te verwerven. Niet het einddoel, maar de weg ernaar toe, is
hiervoor de manier”.
De drie bekendste pelgrimsroutes, de zogenaamde Middeleeuwse routes,
zijn die naar Santiago de Compostela (met als teken de Jacobsschelp), de
voettocht naar Rome (het teken is het kruis) en de intocht in Jeruzalem
(met de palmtak als teken). Herman koos voor de pelgrimstocht naar
Santiago de Compostela. Ook wel Jacobsweg of Camino de Santiago genoemd,
omdat ooit de apostel Jacobus deze route zou hebben gelopen. Sint
Jacobus bracht het christendom naar deze streken. Hij is dan ook de
nationale heilige van Spanje. Volgens overlevering ligt de apostel
Jacobus begraven in Santiago de Compostela. De naam Santiago betekent
dan ook Sint Jacobus.
Overigens zou het lopen van deze route al stammen uit voorchristelijke
tijden. Destijds was het een onderdeel van een Keltische
vruchtbaarheidsrite. Uit die oude tijden stammen ook de symbolen die bij
deze pelgrimage horen: de Jacobsschelp en het Zwaardkruis (ook wel de
Lagarto of hagedis genoemd).
Ook bij de oude Romeinen zou het lopen van dit pad al een speciale
betekenis hebben gehad. De Romeinse legionaires van Caius Brutus liepen
bijvoorbeeld door tot aan de oceaan, tot aan het stadje Finistere. Daar
was volgens de Romeinen het einde van de wereld en achter de horizon
begon de Onderwereld, de Hades. Bij zonsondergang ging de zon dus naar
de Onderwereld om ’s ochtends weer te verschijnen in het “hier en nu”.
Tenminste, dat hoopte men toen. En om die zonsopgang van de goden af te
dwingen voerde men dan een bepaalde rite uit.
Training
Ongetraind aan een
dergelijke pelgrimage beginnen is, op z’n zachts gezegd, gekkenwerk. Van
de duizenden pelgrims die jaarlijks aan de Jacobsweg beginnen vallen er
honderden af omdat ze de tocht zwaar onderschat hebben. Ieder jaar weer!
Herman is dus al een half jaar geleden begonnen met trainen. Twee à drie
keer per week maakt hij een stevige wandeling. Zo’n vijftien tot
vijfentwintig kilometer. In het begin zonder noemenswaardige bagage maar
inmiddels met volle bepakking. “De overgang van ‘zonder bagage’ naar
‘met bagage’ was wel even wennen”, vertelt Herman, “meteen een paar
forse blaren!”. Waarschijnlijk ontstaan die doordat de voeten op een
andere manier/plaats belast worden omdat je lichaamshouding door de
bepakking veranderd is.
Uitrusting
Alles wat je
tijdens de tocht nodig hebt moet je wel zelf meedragen. Dus alleen het
hoogst noodzakelijke wordt meegenomen. En alle spullen natuurlijk in zo
licht mogelijke uitvoering. Herman komt dan aan ruim tien kilo, dat is
inclusief het eigengewicht van de rugzak. Niet gek die tien kilo, want
op een internetsite lees ik zojuist dat een zekere pelgrim al trots was
op veertien kilo.
Verder heeft Herman natuurlijk een Jacobsschelp bij zich en een
zogenaamde Pelgrimspas. Die pas laat je op bepaalde plaatsen langs de
route afstempelen als bewijs dat je ook echt een lange pelgrimage gedaan
hebt, maar de pas geeft ook toegang tot de zogenaamde Refugio’s (een
soort jeugdherbergen om goedkoop te overnachten). Aan het einde van de
tocht, in Santiago bij het pelgrimsbureau, krijg je op vertoon van die
pas een certificaat.
Een belangrijk punt is de bescherming tegen de zon. Omdat je min of meer
pal West loopt heb je de zon altijd op de linkerhelft van je lichaam.
Een grote hoed, een lange broek en een shirt met lange mouwen zijn
daarom geen overbodige luxe.