G&T2013

Maandelijks Nieuwsblad voor Garmerwolde, Thesinge en omstreken

46e jaargang - januari 2021

 

Het Thesinger turfschip, twee generaties verder

202101a

Het turfschip van Dijkema in de Thesinger haven: rechtsvoor
de 15-jarige Hinderkien (foto W.F. Pastoor 1928)

In mei 1993 publiceerde de Garmer & Thesinger Express een hoofdartikel van de hand van Elizabeth Tolenaar, getiteld ‘Turfschip in Thesinge’. Het bestond uit een interview met de toen tachtigjarige Hinderkien Visser-Dijkema, dochter van turfschipper Jan Dijkema. Haar ouders voeren tot 1957 met de 60-tons boltjalk Eben Haëzer de hele provincie Groningen door en deden vaak Thesinge aan, waar Dijkema in een schuur zijn turfopslag had. Hinderkien en haar twee zusjes voeren mee.

Hinderkien
In het interview vertelde Hinderkien honderduit over haar jeugd op het turfschip en de reizen die ze maakten. ‘We gingen altijd van Onderdendam naar Thesinge en dan moesten we vijf bruggen en nog een soort draaibrug bij langs. Mijn ouders hadden eerst een houten scheepje en later kregen ze het grote schip. Die was zó aangepast dat we de bruggen onderdoor konden.’
De turf werd ‘in stobben’ (à 10.000 stuks) opgehaald in Valthermond. Voor de reis tussen Groningen en het veengebied huurde Dijkema meestal een paard in om het schip te trekken. Met een paard als ‘jager’ duurde de reis naar Valthermond een à twee weken, via het Thesinger Maar, Kardinger Maar (‘Nije Moar’), Boterdiep, Stad en dan verder. ‘Maar als we geen jager hadden, moesten moeke en wij zelf trekken, en dan duurde het langer.’ De kinderen hielpen onderweg mee met het bezorgen van de turf en dus ook met het scheepsjagen. ‘Mijn moeder zei altijd: “Kind, wat heb jij sterke armen.” Die heb ik trouwens nog. Ik kan alle potjes en flesjes openkrijgen. Maar soms waren we echt moe van het trekken.’
De familie Dijkema overwinterde elk jaar in het Thesinger Maar. Hun schip lag dan aangemeerd bij de til achter het huis van vrouw Westerhof, waar nu Kees en Heina van Zanten wonen. ’s Winters gingen de kinderen in Thesinge naar school en dan kerkte het gezin hier ook.
In de winter van 1924 had Dijkema zijn schip volgeladen met bakstenen voor de bouw van het huis van Hofstede aan de Schutterlaan. De vorst viel in, het was bitterkoud en de Eben Haëzer vroor onderweg in. ‘Stainen lagen vast in t ies,’ zodat de bouw van de woning wekenlang werd vertraagd. Janna Hofstede herinnert zich het schip en de opvarenden nog goed: ‘Jampie en Griet Schipper’, zoals de Dijkema’s in de volksmond werden genoemd. 

202101c

Jan Visser reinigt het graf van zijn grootouders
(foto Jan Ceulen)


De kleinzoon en de turfschuit
Het ‘Thesinger turfschip’ met zijn bewoners dook onlangs weer op uit de nevelen der tijd. Via mijn vrijwilligerswerk in de Martinikerk in Stad maakte ik kennis met ene Jan Visser. Al in ons eerste gesprek bleek dat we allebei iets met Thesinge hadden. Ik omdat ik er al bijna vijftig jaar woon, en Jan omdat hij er vaak kwam en nog steeds komt. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt. Wat is er zoal gebeurd in het leven van een stadjer als hij zo’n sterke band heeft met Thesinge?
Jan is een zoon van Hinderkien Visser-Dijkema en dus een kleinzoon van de familie Dijkema van het turfschip. Als kleine jongen logeerde Jan vaak bij zijn grootouders wanneer het turfschip in Thesinge lag. ‘Die heeft hier gelegen tot 1965. Je sliep in een afgetimmerde kooi in het vooronder, tegen de ijzeren scheepswand aan, zodat je de golfjes kon horen kabbelen. Het was er ijskoud.’
Zo heeft hij het dorp goed leren kennen. Hij deed boodschappen met zijn opoe, bij slager Havinga en bakker Wieringa. Dan had je ook nog de smid en verver Kol. Jan kreeg weleens een kwartje van opa en dan kocht hij een flesje limonade bij de Centra van Roelie Dijkema (geen familie). Hij kwam vaak op de boerderij van Jelle van Zanten. Daar was het een gezellige boel: Jelle had toen nog koeien. De melkbussen bracht hij met een roeiboot naar het haventje, waar ze door vrachtrijder van Zwol werden opgehaald. Met zijn moeder ging hij al wandelend geregeld op bezoek bij Iselina Pleiter, een oude schoolvriendin van haar, aan de Dijk. Jan heeft Iselina later ook nog bezocht, toen ze aan de Molenweg woonde.
Het leven aan boord was geen luxe bedoening: het was er laag en zijn opa, die al klein van stuk was, moest toch nog overal bukken. Er was geen stromend water of elektriciteit aan boord. Water haalden ze bij Westerhof. Er brandde een petroleumlamp (die Jan nog steeds heeft), opoe kookte op een petroleumstel en ze hadden een plattebuiskachel waarin ze hun eigen turf stookten. Achter een ijzeren deur was de ‘mooie kamer’ met een koekoek erboven. Er was geen wc aan boord. In het ruim hing een gordijn en daarachter stond een tonnetje. Als dat vol was werd het aan één kant van het schip in het Maar geleegd en aan de andere kant schoongespoeld. Door de weinig hygiënische omstandigheden aan boord bouwde je kennelijk toch een zekere immuniteit op. Wassen deed je niet vaak. Jans grootouders droegen roodbaaien ondergoed en gingen altijd in het zwart gekleed.

202101b

De enige foto gemaakt in de roef van het turfschip: opa en
opoe Dijkema hebben zojuist een cadeau uit Canada
ontvangen en uitgepakt (fotograaf onbekend)


Toch hebben ze een gezegende leeftijd bereikt: zijn opa is in 1967 op 88-jarige leeftijd overleden en zijn opoe is 94 geworden. Jans grootouders hoorden bij de gereformeerde kerk. Jan en zijn ouders gingen naar de christelijk gereformeerde kerk in Thesinge.
Jan is één keer met zijn opa uit varen geweest op het turfschip. In Winsum moest het op een ‘woagentje-helling’ om geteerd te worden. In 1965 is het schip verkocht. Het werd naar Amsterdam gevaren en verbouwd tot woonark.

Mooi plekje
Jan is in 1951 geboren op het goede schip Vertrouwen van zijn ouders, bij de watertoren aan de Hofstede de Grootkade in Stad. Zijn vader was zeeman geweest en zijn moeder Hinderkien was op het turfschip ook gewend aan het leven op het water. Jan stamt dus uit een rasechte ‘varensfamilie’ en doet zijn achternaam eer aan. Hij mag dan wel een geboren stadjer zijn, maar een deel van zijn roots liggen in Thesinge. Zijn grootouders zijn begraven op de Thesinger begraafplaats, en zijn tante Engelina ligt naast hen. Daarom hebben Jan en zijn vrouw Riet daar ook alvast een graf gekocht: ‘Omdat ik me hier thuis voel en omdat het zo’n mooi plekje is. Ja, hier wil ik wel liggen, maar wel op het hervormde deel.’

Ton Heuvelmans

Noot van de redactie: ga voor het artikel ‘Turfschip in Thesinge’van Truus Top en Elisabeth Tolenaar naar gentexpress.nl/archief en vul mei 1993 in.

Foei, deugnieten!

Op een middag begin jaren zestig waren Berend Plijter (12 jaar) en zijn zusje Trieneke (8 jaar) met vriendjes aan het spelen op de til. Schuin onder hen lag het turfschip. De loopplank lag uit, er was niemand aan boord. Het avontuur lokte. Berend en de andere jongens besloten aan boord te gaan. Berend kwam er ’s zondags wel vaker stiekem een sigaretje roken. Trieneke bleef aan de wal. Wat er verder precies gebeurde is niet duidelijk, maar toen ze later die middag thuiskwamen in de Luddestraat, stond er politie voor de deur!
Er was iets vernield aan boord, iemand had de politie gebeld, sprak de agent dreigend. Pa Plijter was niet blij. Later kwam de agent terug: de schade moest hersteld worden. Alle jongens (of liever hun ouders) moesten een rijksdaalder betalen: een rib uit hun lijf. Ook voor Trieneke, die niet eens aan boord was geweest! Zo zie je maar weer: ondeugd loont niet.