In de augustus-editie (2000) van de
G&T heb ik iets verteld over de Cultuur-historische werkgroep
en over de oudste documenten die betrekking hebben op Garmerwolde
en Thesinge. Welke sporen vinden we nog van deze historische
vermeldingen?
Heidenschap
Door de schoolmeester G.Rijkens G.zoon uit Garmerwolde wordt in
een rapport uit 1829 vermeld dat daar de fundamenten zijn van een
tempel of een kerk waar "thans een boerenplaats gebouwd is.
De Kloosterkerk Thesinge, een
historisch plekje. (Foto: Wolter Karsijns)
Voor weinige jaren is bij het graven een doodshoofd met beenderen
gevonden". Waarschijnlijk gaat het hier om de vroegere Middeleeuwse
kerk van Heidenschap, laatst vermeld in een taxatielijst van
kerspelen uit 1506. Verder vermeldt hij dat weinig noordwaarts
daarvan voormaals een burgt heeft gestaan, laatst toebehorende aan
Pompejus de Valck, Staat-Generaal der Verenigde Nederlanden,
gestorven in 1727. Begraven in de kerk onder een buitengewoon grote
zerk. Volgens J.A. Formsma gaat het hierbij om de z.g.
Gelmersmaborg, volgens de kaart van Beckering van 1785 gelegen aan
de z.o. kant van het Damsterdiep, ongeveer ter hoogte van de nieuwe
brug. Op oudere kaarten wordt de borg Henssens of Hensius genoemd,
waarschijnlijk naar de syndicus van de Hoofdmannenkamer Jodocus
Hensius uit Lippe die in 1643 Gelmersma (waar vroeger een
tichelwerk was) kocht. Zijn dochter trouwde met Bernard Julsingh,
die na hem de borg bewoonde, en secretaris van de Ommelander
landdag was. Julsingh was ook vennoot in de Ommelandse
Compagnie.
Gelmersma wordt in 1454 genoemd als edele heerd, d.w.z. dat de
eigenaar het recht had bij toerbeurt het "Redger"-ambt te
vervullen. De rechten van de edele heerden werden in de 15de en
16de eeuw geleidelijk allemaal opgekocht door de bekende families
van grootgrondbezitters in de Ommelanden, die onder elkaar trouwden
en gezamenlijk de alleenheerschappij in de Ommelanden verwierven.
De geslachten Clant en De Mepsche zijn duidelijke voorbeelden van
zulke machtige families.
De Ommelanders lagen in die tijd
(tijd van Jan de Witt, die zich er ook nog mee heeft bemoeid) in
onmin met de Groningse bestuurders en hebben toen enige jaren niet
in de stad maar in de Ommelanden vergaderd, waarvan zeker eenmaal
in de kerk van Garmerwolde en eenmaal in die van Ten Boer. Dit
geschil betrof de ontvening en de afvoer van turf naar Groningen
uit de Ommelandse venen, bij Meeden t. z. van Zuidbroek door de
Ommelandse Compagnie.
De borgbewoners noemden zich terecht of ten onrechte hoofdelingen
van Garmerwolde, Thesinge en Ten Boer. De familie Valk, Valck of de
Valck(e) was afkomstig uit Scharmer, waar ze ook een borg
hadden.
Bovenrijge
Diezelfde titel van hoofdeling droegen ook de bewoners van de
Tackenborg aan de Bovenrijge, die vroeger nog niet doorliep tot aan
de Rijksweg. Ook dit was in 1454 een edele heerd, "gelegen in de
middelste klauw". Klauw of kluft is het gebied waarbinnen het
redgerambt rouleerde. Oorspronkelijk zijn Garmerwolde, Thesinge en
Ten Boer afzonderlijke klauwen (rechtsgebieden) geweest, maar uit
de nog overgebleven rechtsdocumenten blijkt dat er steeds maar één
redger was voor het hele gebied. Dat werd uitgeoefend door of
namens (bij volmacht) de hoofdeling in Garmerwolde, Thesinge en Ten
Boer.
Tackenborgh wordt in 1510 verworven door Reynt Albeda, en in 1547
door Evert Clant. Zijn zoon Evert verkoopt het in 1588 aan Coppen
de Mepsche. Coppen was genoemd naar zijn grootvader van moeders
kant. Zijn moeder was Anna Jarges, dochter van een bekend stadjer.
Hij had een zeer bekende broer, Johan "die" Mepsche, die in
Ingolstadt in Duitsland had gestudeerd, lid was geweest van de
Reichskammer in Spiers, was geridderd door keizer Karel V, en later
als luitenant (stadscommandant) van de Hoofdmannenkamer in
Groningen, een vertrouweling werd van de hertog van Alva. Hij werd
belast met de financiering van de bouw van een citadel bij de
Heerebrug, het "kasteel van Alva". Van de familie de Mepsche is
Everhard vemeld op de grote klok van de toren van Garmerwolde. Hij
heeft ook een graf in de kerk.
Coppen, die stierf in 1594 (het jaar waarin Groningen overging tot
de gereformeerde godsdienst) is begraven in het koor van de kerk
van Thesinge. Het geslacht De Mepsche, afkomstig uit Borger in
Drenthe, had daar het landgoed Westrup in leen van de bisschop van
Utrecht, en vestigde zich in de 15de eeuw in Groningen in de Kijk
in 't Jatstraat. Ze hadden ook een bierbrouwerij en waren
"erfvoogden" van het Mepschengasthuis. In de loop van de tijd heeft
de familie in de Ommelanden een stuk of vijf borgen verworven:
Piloursema in Aduard, Duirsum in Loppersum, Bijma in Faan (bij
Zuidhorn), Meyma in Baflo, en de Tackenborgh. Na het overlijden van
de beruchte Rudolf, drost van Wedde in 1754, is het geslacht in de
mannelijke lijn uitgestorven.
Later verwierf Bernard Julsingh de borg. De laatste bewoner was
een Roelof Dijck, die failliet ging, waarna de borg werd
gesloopt.
Op de plaats van Gelmersma werd een
boerderij gebouwd die Valkenborg heette.
De familie de Mepsche verhuisde naar Faan bij Zuidhorn. In 1727
bestond Rudolf de Mepsche het om ruim 20 van zijn pachters in
Zuidhorn ter dood op de brandstapel te veroordelen wegens
veronderstelde "sodomie". Voor deze schandelijke gruweldaad werd
hij gepromoveerd tot drost te Wedde.
Garmerwolde
De schoolmeester vermeldt verder nog de "Ridderborg" op de
kruising van de Thesinger Maar en de Stadsweg. Hij vermeldt dat
deze tekenen van hoge ouderdom verraadt, en voor een aantal jaren
(dus omstreeks 1820?) door de schepperij van het Vierendeel was
aangekocht voor een vergaderplaats voor zijlrechters. Hij acht het
"hoogstwaarschijnlijk dat de borg door het oude Riddergeslacht is
gebouwd, ten einde daar hun nachtsverblijf te houden en zich dus
gerechtigd bevonden om als volmachten of eigenerfden ter landdag te
verschijnen en in hooge ambten te geraken". De Ridderborg is geen
"erkende" borg in die zin dat er heerlijke rechten aan verbonden
zijn geweest. Niettemin is het ongetwijfeld een zeer oude
heemplaats, alleen al gezien de ligging bij de hoofdingang naar
Fivelingo. Uit het Stadboek van Groningen blijkt dat op 16 oktober
1651 aan Garmerwolde werd toegestaan een til aan te leggen in de
Stadsweg bij de Borg, mits zij hem zelf onderhouden. De Ridderborg
staat dus al heel lang als borg bekend.
Uit een boekje van de uitgeverij Kok/Kampen uit 1909 blijkt dat in 1809 in de armhuiskamer van Ten Boer Jan Egberts Broekema is geboren. Maar het staat vast dat hij niet in Ten Boer, maar in Garmerwolde is geboren. Er staat een oude foto bij van het armhuis, waarvan ik dus vermoed dat het in Garmerwolde stond, maar ik weet niet waar. Misschien weet een van de lezers dat?
Thesinge
Van het dorp Thesinge zijn bij opgravingen bewoningssporen
gevonden die teruggaan tot ongeveer 800 n. Chr. Het klooster
Germania, gesticht vóór 1200, was al spoedig van grote betekenis.
Dit blijkt o.a. uit het feit dat het al in 1284 de
patronaatsrechten verwierf van de belangrijke Walfriduskerk van
Bedum, waar de relikwieën van de door Noormannen vermoorde heilige
Walfried en zijn zonen, druk door pelgrims werden bezocht. Waar
Germania lag, mag bekend worden verondersteld. Minder bekend is dat
bij het repareren van de riolering in de twintiger jaren, voor de
kerk een gave stenen vuistbijl werd aangetroffen, wat er mogelijk
op duidt dat dit in de oertijd als een heilige plaats werd
beschouwd. De bijl moet dateren van ruim voor het begin van de
jaartelling. Het is echter geen bewijs dat het dorp toen al
bestond.
De uithof van het Agnietenklooster lag in Steerwolde, ten zuiden
van het Gewijde. Hier was ook een kapel.
Aan de andere zijde van de dorpskern van Thesinge, richting de
molen, is een grotendeels onbebouwd terrein waaronder de resten van
het nonnenconvent van Germania liggen. Dit terrein is als
Rijksmonument aangewezen. Naar verluidt zijn er nog oude gewelven
onder de grond. Er bestaat nog een fragment van een kroniek uit
1525 over de vlucht van de nonnen naar Utrecht tijdens de
gewelddadigheden tussen de Bourgondische stadhouder Schenk van
Toutenburg en de troepen van Karel van Gelre in 1506. Omstreeks het
begin van de tachtigjarige oorlog is het klooster verwoest en
verlaten.
Germania had een zegel waarop St. Felicitas met haar zeven zonen
was afgebeeld. Aan die heiligen was het klooster kennelijk gewijd,
en niet aan St. Germanus, zoals ook is verondersteld. In de
Universiteitsbibliotheek in Groningen, de Konglige Bibliothek in
Kopenhagen en in andere archieven bevinden zich enkele
getijdenboeken en andere prachtig geschreven en geschilderde
handschriften met miniaturen en randversieringen, afkomstig uit
Thesinge.
Steerwolde
In 1964 kreeg huisarts van der Werff uit Garmerwolde te horen dat
bij het egaliseren van grond bij een boerderij aan het Geweide,
thans vlak bij de Eemshavenweg in Thesingeburen menselijke
beenderen en zerken gevonden waren. M.m.v. prof Waterbolk werd een
opgraving door het BAI (Arch. Instituut Groningen) geregeld.
Hierbij werden de intacte fundamenten van een kerk, drie
geornamenteerde sarcofaagdeksels van basaltsteen, wat aardewerk en
105 menselijke skeletten aangetroffen. De versieringen op de
deksels zijn deels oud-germaans, maar op alle drie is een kruis
afgebeeld. Op twee ervan staan bisschopsstaven. De restanten
schijnen zich te bevinden in de kelders van het Gronings museum. De
kerk moet die van Steerwolde zijn geweest, die laatstelijk voorkomt
in een register van kerkelijke goederen van ca. 1450. Dit was een
andere kerk dan de hiervoor genoemde kapel van het convent van de
Geestelijke maagden.
Bederawalda
Over de (vroegere) ligging van deze plaats zijn allerlei
veronderstellingen geuit, waarbij velen denken dat het ergens in de
buurt van Thesinge moet zijn geweest. Ik wil hier nog een aan
toevoegen: misschien was het wel St. Annen, want dat ging
waarschijnlijk pas Sint Anna heten na de stichting van Parva (of
Lutje of Klein) Aduard.
Tot slot nog een toelichting op het vorige artikel. Daarin heb ik gesteld dat er na het aanleggen van de Borgwal onenigheden ontstonden met de Drenterwolders, hetgeen mogelijk aanleiding was tot het vestigen van kloosters. Garmerwolde en Thesinge maken deel uit van de Friese landen ten oosten van de Lauwers, die door de gewelddadige bekering onder leiding van keizer Karel de Grote onder het bisdom Munster waren komen te vallen. In die tijd was er geen ander centraal gezag meer, er was geen koning, hertog of graaf van Friesland. In die tijd werd de z.g. "Lex Frisionum", de wet van de Friezen, op schrift gesteld. Hierin werd geregeld hoe sommige rechtsgeschillen moesten worden opgelost, met name de hoogte van de "ìweergeldenî en de ìbreukenî" (betalingen aan de redgers) die verschuldigd waren bij diefstal, huisvredebreuk en doodslag. Geschillen tussen verschillende dorpen moesten worden opgelost tijdens periodieke bijeenkomsten van alle (Oost)friezen onder de Upstalboom bij Aurich. Die wet gold alleen voor Friezen.
Verder had Karel de Grote enkele koninklijke besluiten afgevaardigd, de z.g. capitularia, die soms alleen van toepassing waren op koninklijke domeinen. In die half anarchistische toestand konden de - onder bescherming van de keizer staande - kerkelijke autoriteiten, die de enigen waren die konden lezen en schrijven en bovendien enige kennis hadden van het Romeinse en van het kerkelijke recht, al spoedig een machtige positie innemen.
Harm Buter
Rijksweg 73 Ten Boer
050-3022336
Zie ook een tweetal artikelen in de Regiokrant Groningen:
Historie:
Gelmersma en Tackenborg - deel 1
Historie:
Gelmersma en Tackenborg - deel 2