Maandelijks Nieuwsblad voor Garmerwolde Thesinge en omstreken

30e jaargang december 2004
 

In de ban van de beweging
 

2004 was in meerdere opzichten een bewogen jaar. Nederland raakte in de ban van de meest uiteenlopende zaken, van onzin tot ernst. Zo werd er massaal gekeken naar de immens populair geworden Tokkies (wie kent ze niet) die een nieuw onderkomen zochten. Verder slaagden ‘we’ er opnieuw niet in Europees kampioen voetbal te worden en werden meningsverschillen met kogels ‘opgelost’.
 

Ook Thesinge raakte in de ban. In de ban van beweging. De 4 mijl koorts sloeg toe en vanaf het einde van de zomer was de rust in het Klunder verdwenen. Af en toe deed het me denken aan een file op de snelweg: een massa die niet vooruit komt.

 

  

 

 

Jurre van den Berg (Foto: Desiree Luiken)

Vaak was het meelijwekkend  te zien hoe sommigen een heroïsch gevecht voerden met het weer en zichzelf. Spiksplinternieuwe sportschoenen flaneerden onder de druk van vele kilo’s over het gravel en zochten hun weg tussen de plassen door. Maar men gaf niet op.

Ommeland  

Net als bij mensen die thuisblijven voor de herhaling van Waku Waku en figuren die onsmakelijke vegaburgers eten heb ik me vaak één ding afgevraagd bij het aanzien van al dat afzien: wat beweegt deze mensen? Het antwoord verschilt waarschijnlijk per persoon. Voor de één het streven naar een scherpe tijd, voor de ander misschien simpelweg het heelhuids bereiken van de finish. Ze hadden in ieder geval allemaal een doel voor ogen dat hen in beweging hield. Het resultaat mocht er wezen. Meer dan 40 Thesingers liepen op zondag 9 oktober de iets meer dan 6,5 kilometer van de Hortus naar het centrum van de stad Groningen. Missie voltooid.

De rust is inmiddels weergekeerd in het Klunder en alles is weer zoals het was. Sportschoenen zijn weer in de kast beland met een roodoranje zool als herinnering aan actievere tijden. Het hardlopen in het donker heeft plaatsgemaakt voor het lezen van de krant of het kijken naar de televisie.

 


Vanaf hier vertrekt geen bus, enkel bieten
keren ’t land de rug toe, vinden weg

naar epicentrum. Herfstwind raast
door molenarmen, knikkeren na half 4,

kastanjes vallen en zo zal het blijven.
’s Winters rust de kou van de Til tot aan

’t Klapke, waaronder wakken waken,
eenden ineengedoken slapen als het dorp.

Morgen is het zondag, weer vroeg dag.
De Heer wacht met pepermunt en liturgie.

Jurre van den Berg, 2004
(uit de cyclus: Bevroren Harmonie)
 

 

Persoonlijk heb ik weinig op met goede voornemens. Libellevrouwen die op 31 december zweren af te willen vallen maar zich op nieuwjaarsdag al weer vergrijpen aan de nieuwjaarsrolletjes, wat is het voornemen dan nog waard? Cruijff zei: ‘Om te scoren moet je schieten’. Maar daar heb je eerst een doel voor nodig. Ik zie dus liever die veertig Thesingers die zichzelf een doel stelden en over de streep kwamen op de Vismarkt.
Kijk, dát brengt je in beweging, ook in 2005.

Jurre van den Berg
 

Beweegredenen van een verzamelwoede
 

Hoe kom je tot ... samen verzamelen

Een bijzonder gevoel voor decoratie valt je op als je de woning van Ellen van Eekeren en Johan Langelo binnenkomt. We gaan zitten in de keuken en als je rondkijkt valt op dat over elk detail is nagedacht.

 

 

 

Ellen van Eekeren bij haar teddyberen. (Foto: Wolter Karsijns)
 

Oud en nieuw materiaal is met elkaar gecombineerd en op elkaar afgestemd.
Aan veel voorwerpen zit een verhaal vast omdat de meeste spullen in de loop der jaren door Ellen en Johan bijelkaar gevonden zijn op vlooienmarkten, beurzen en via internet. Buurvrouw Lucy Kol moet weleens een via het internet besteld pakket in ontvangst nemen en vroeg zich af wat deze buren beweegt om hun vrije tijd met hun gezamenlijke hobby te vullen.


Blikken speelgoed

De sfeer van “grootmoederstijd” spreekt hen beide erg aan. Dit blijkt uit de inrichting van hun huis aan de Molenweg in Thesinge. Ze wonen er nu vier jaar en hebben het hele huis en de tuin met aandacht voor veel detail aan hun smaak aangepast. Er hoefden geen grote verbouwingen te gebeuren maar een mooie houten vloer, nieuw keukenblok, vitrinekast en alles in een nieuw verfje kostte toch heel wat tijd. Helaas bleek dat er lekkage onder de badkamervloer was en zat er niets anders op dan de zaak grondig te vernieuwen. Van de nood maakten ze een deugd door de ruimte wat te vergroten en in eigen stijl en sfeer aan te kleden. Boven het bad is een speciaal kastje met alle verzamelde talkpoederbusjes die Ellen bijelkaar gezocht heeft op kleur. Acht jaar geleden was dit een onderdeel van haar voorraadblikken-verzameling. Die nam zoveel ruimte in beslag dat ze alles toen van de hand heeft gedaan. Ze is nu helemaal wèg van speelgoed van blik en dan vooral de klein-formaat-dingen die je altijd wel ergens in huis neer kunt zetten.

Vlooienmarkt
Als ’t even kan gaat Ellen op zaterdagochtend om half zeven van huis om bij aanvang van de Eelder vlooienmarkt te zoeken naar haar gading. Soms staat zij er zelf ook met spulletjes om te verkopen. “Het is een heel apart sfeertje in de vroege ochtend. Ik ken er heel veel mensen die ook bijzondere dingen verzamelen en vaak tip je elkaar als er iets bijzonders is en laat je zien wat je zelf gevonden hebt. Het zit bij mij in de familie: mijn vader, zusje en zwager zijn er ook vaak te vinden en hebben verschillende verzamelingen. Twee keer per jaar gaan we naar de verzamelaarsbeurs in Utrecht en vertrekken we ook in alle vroegte om de meeste kans te maken op bijzondere vondsten. Ook zomermarkten vinden we leuk en ik kijk haast elke dag wel een uurtje op internet. Een week is bij ons zomaar om met werk, huishouden, tuin en onze hobby’s. Er blijft niet veel tijd over voor het lezen van een boek hoewel dat in Thesinge beter lukt dan in onze vorige woonplaats Westeremden. Daar hadden we een groot en oud huis wat heel bewerkelijk was. Thesinge is dichter bij Groningen waar ik bij een groothandel in brillen en glazen werk en Johan werkt ook in de stad in de automatisering. Van oorsprong zijn we stadjers maar we vinden het fijn om in een dorp te wonen”.
 
 

Geschiedenis
Johan en Ellen kennen elkaar uit de wereld van verzamelaars. Johan is evenals Ellen’s vader geïnteresseerd in alles wat te maken heeft met de Eerste Wereldoorlog. Hij is altijd al bezig geweest met geschiedenis. In zijn jongere jaren wilde hij heel veel weten over de Tweede Wereldoorlog en heeft er veel over gelezen, films en documentaires gezien en musea bezocht. Als kind deed hij veel aan modelbouw van oorlogsvliegtuigen en werd de nieuwsgierigheid bij hem gewekt. “Met mijn schoonvader en een vriend ga ik drie tot vijf keer per jaar een lang weekend naar de slagvelden uit de Eerste Wereldoorlog.
We bezoeken dan ook musea, begraafplaatsen en monumenten ter nagedachtenis aan de slachtoffers van WO I”. Ook heeft Johan zijn eigen vader al zover gekregen om samen eens per jaar de Ieperse slagvelden te bezoeken. Het maakt op hem een geweldige indruk hoeveel mensen er omgekomen zijn in die oorlog.
Een hele generatie is toen weggevaagd en Johan wilde weten hoe het verloop van die oorlog was en wat er aan vooraf ging en welke vèrstrekkende gevolgen dit heeft gehad voor de jongste geschiedenis.

Johan Langelo met de bovenkant van een koffiemolen van het Franse leger uit de periode 1914-1918, opgegraven op de Ieperse slagvelden. (Foto: Wolter Karsijns)    

Slagveld en loopgraven
In de omgeving van Ieper is een groep van amateur-archeologen actief met het opsporen van resten uit de Eerste Wereldoorlog waaronder loopgraven, uitrustingsstukken en menselijke resten. Dit gebeurt allemaal uiteraard met toestemming van de Belgische autoriteiten. De vondsten worden overgedragen aan een plaatselijk museum of de Belgische overheid. Die doet dan een poging om de menselijke resten te identificeren en later worden deze bijgezet op een militaire begraafplaats. “Deze groep amateur-archeologen wordt bij elke expeditie opgezocht. We maken foto’s van vondsten en zetten het eventueel op video of met toestemming worden interessante dingen meegenomen”. Zo vond Johan eens tijdens het bezoek aan de voormalige Franse slagvelden een cirkelvormig stuk verroest ijzer en veronderstelde dat het een koplamp van een legervoertuig moest zijn. Jaren later kocht hij op een beurs een koffiemolen van het franse leger uit de periode 1914-1918. Bij nadere inspectie bleek de bovenkant er precies zo uit te zien als het stukje roest. Ook het vinden van een glazen ampul waar jodium in heeft gezeten en de militairen bij zich hadden en achterlieten in de strijd zijn voor Johan na al die jaren bewijsstukken uit een afschuwelijk verleden. Op militaire beurzen en plaatselijke markten zoekt hij naar voorwerpen uit die tijd. Dat kan van alles zijn: gebruiksvoorwerpen, documenten van militairen, kleding, medailles, boeken en andere documentatie enzovoort. Ook internet is in dit geval een bron van informatie en helpt bij het zoeken en ruilen van verzamelaars-objecten. Over het gebruik van veldtelefoons, de periscoop, lantaarns en verrekijkers kan Johan boeiend vertellen. Hij heeft zelfs diverse prikkeldraadhouders van de voormalige slagvelden, bijgenaamd de zwijnestaart, meegenomen. Die zijn voor deze oorlog doelbewust op een speciale manier geproduceerd en de fabrikant is, volgens Johan, er stinkend rijk van geworden. De gevonden materialen vertellen het verhaal van de geschiedenis en vallen voor hem als een puzzelstukje op z’n plek in het geheel aan kennis van de geschiedenis van de twintigste eeuw.

Truus Top-Hettinga
 

Dit beweegt mij  ...  Kunst
 

Als kind zat ik al veel te knutselen en tekenen. Ik woonde in Twente en mijn vader was daar directeur van een centrum ten behoeve van de ontwikkeling van beeldende vorming “Scheppende Handen” genaamd. Ik mocht wel eens mee en ik weet nog goed dat vooral het magazijn een fantastische plek was; er lagen stapels en stapels papier in allerlei kleuren, heel veel verf, van alles en nog wat. Voor mij had dit magazijn een enorme aantrekkingskracht. Een keer was er een expositie van volwassenen en van mij stond er ook iets bij: ik had met eindeloos geduld alle figuren van de Fabeltjeskrant nagemaakt van karton en papier. Mijn vader was daar heel trots op en ik ook; het was zelfs een succes op de expositie, want alle kinderen die met volwassenen mee kwamen stonden bij mijn poppetjes te kijken. Mijn vader vond het heel belangrijk dat kinderen knutselen voor de ontwikkeling van de fantasie en heeft dit altijd gestimuleerd. Ik ben mijn vader daar heel dankbaar voor.
 

Het knutselen en tekenen lag mij ook, ik was niet zo sportief of muzikaal. Ik heb altijd de behoefte gehouden iets met mijn handen te doen. Ik heb nog overwogen om naar de Kunstacademie te gaan, maar dat vond mijn vader weer zonde van mijn hersens. Ik heb het zelf toen ook niet aangedurfd, want ik wilde wel graag zelfstandig zijn en in de kunst moet je wel heel goed zijn om in je onderhoud te kunnen voorzien. Veel vrienden van mijn vader waren docent en deden in hun vrije tijd “de kunst erbij”. Zo moest het met mij dan ook maar, dacht ik. Ik ben psycholoog geworden. Er was nooit veel tijd over om dingen te maken, maar ik ben altijd bezig gebleven met teken - en schilderclubs en de laatste tijd model - en portret boetseren. Ik heb altijd wel iets onder handen.
Als ik aan het werk ben en je vraagt me wat het uiteindelijk moet gaan worden, weet ik het vaak zelf nog niet. .Je hebt wel vaak een idee aan het begin maar het resultaat ontstaat al doende vanuit het werken zelf. Ik heb een schrijfster wel eens horen zeggen dat zij personages schept, totdat deze personen het boek gaan overnemen en het boek a.h.w. zichzelf schrijft.

 
    IJsbrand, de zoon van Ine (Foto: Henk Vliem)

Dat is natuurlijk niet zo, maar er is geen sprake meer van bewust verzinnen. Het gaat “van zelf”. Hier is niet de ratio aan het werk, die rechtlijnig en volgens de logica werkt, maar een ouder deel van het brein dat heel anders werkt, nl. associatief: het emotionele bewustzijn van de mens.

Dat is ook het belang van kunst: Iedereen kent het wel, dat je geraakt wordt bij het zien van een foto, het lezen van een boek, het luisteren naar muziek. Het kan je ontroeren, verdrietig maken of blij, het kan afschuw oproepen, je kunt er stil van worden of heel vrolijk, kortom – je emoties worden aangesproken, vaak op een manier dat je zelf niet zo goed weet waarom. Dat doet kunst. Als een schilderij goed is, kijk je niet naar een plaatje, maar lijkt het of het schilderij iets van je wil, het blijft je aandacht trekken. Er wordt iets in je aangeraakt waarvan je je meestal niet bewust bent op rationeel niveau.
Iets heel erg menselijk, want dat is wat kunst is.

Ine Hoejenbos
 

Hoe beweegt ... Jan Vegter
 

Jan  Vegter leeft vanaf zijn geboorte in Thesinge; de eerste paar jaar voorin de Luddestraat 9 (waar Geerle en Willeke nu wonen) en vanaf zijn 6e op Luddestraat 4. Vanaf 1996 woont hij er alleen. Jan bewoog als kind onstuimig door het dorp, eerst wat kattenkwaad en later was hij dol op b.v. schaatsen en slootje springen. Veel tijd bracht hij toen door in de natuur rond het Maar en in het bosje in de Klunder.
 

Rond zijn 17e, in de groei, begon zijn linker been te slepen en heeft hij een operatie gehad waarna het wat beter ging. Jan werd automonteur maar rond zijn 24e namen de klachten weer toe en moest er weer geopereerd worden.
Het zou allemaal weer goed komen, maar dat bleek niet waar te zijn. Sindsdien beweegt Jan zich gesteund voort; eerst nog met een wandelstok, later met krukken, sinds ongeveer 1998 met de rollator en sinds vorig jaar ook met het scootmobiel.

 
   

Jan Vegter bij zomerdag op zijn scootmobiel. (Foto: Bertus Kol)


“Als iemand beweegt denkt hij er niet bij na, maar als ik moet lopen dan moet ik me goed concentreren en mijn ademhaling beheersen want anders wil het niet“, zegt Jan.
“Het is ook zo dat in de tijd dat ik één stap doe, een ander er al tien heeft gedaan.” Nu beweegt hij zich in huis met zijn rollator. “Om het uur een klein “klusje” om in beweging te blijven; anders verstijven mijn benen en kan ik nauwelijks meer bewegen.”
Sinds kort heb ik een computer waar ik nog nauwelijks mee bekend ben, dus veel oefenen en proberen, een goede reden tot bewegen voor mij.
In de zomer kom ik meer buiten, voor mijn huis op het bankje en het dorp door met mijn scootmobiel. Heerlijk om hier of daar even langs te gaan en ik geniet van de uitnodigingen om even een praatje te maken. Van de zomer zat ik zelfs eens een lekker gehaktballetje in een tuin te eten.
Ik heb het goed in het dorp; de mensen om me heen houden rekening met me, mijn zus kookt trouw voor me en mijn achterneefjes en nichtjes komen me het brengen, wat wil een mens zoals ik nog meer?
Wat ik fijn vind is dat  mensen me groeten als ze langs lopen of als ze in de middag even aanwippen.
Niet voor lange gesprekken (als ik te gespannen word slaat het op mijn benen) maar voor een berichtje over gewone dingen; het weer, de computer,  de natuur, het dorp of zo maar iets“. Dat soort gebaren breekt de dag een beetje; dan beweegt mijn dag meer.

Hatta Smit
 

Een bijzonder(e) mooie hobby
 

Toen ik Ton Werdekker een bezoek bracht voor dit interview, ontdekte ik zijn grote hobby. Een hobby waar je vééél geduld voor moet hebben. Soms duurt het 2 jaar voor je het resultaat kunt bewonderen.
Een echte passie dus voor het bouwen van scheepsmodellen en met name van oude Hollandse rond- en platbodem schepen. Vol enthousiasme vertelt Ton “Als ik begin kan ik bijna niet stoppen” wanneer hij zijn eerste bootje bouwde. “Ik was een jaar of 10. Ik had een klompje en bevestigde daaronder het deksel van een conservenblikje als zwaard. Ik vond dat het prachtig kon varen. Toen ik 14 jaar was bouwde ik mijn eerste model. Dit was een bouwpakket.”
 

Op mijn vraag wat voor bijzondere band hij met deze schepen heeft, was het antwoord: “Als je de bouw bekijkt dan zie je dat het geweldig mooie schepen zijn en gelet op de gereedschappen die men toen had, is het resultaat een schip wat gebouwd is met enorme vakmanschap. Als je een visserschip zoals een Botter bouwt merk je dat het eigenlijk superefficiënte vismachines zijn. Ik heb er veel boeken over gelezen en in havens de schepen bekeken.  
    De scheepjes van Ton Werdekker. (Foto: Henk Remerie)

Het model van oude Hollandse schepen is het allermooiste wat er is. Ze hebben een eigen vorm. Ze zijn niet te evenaren. Nergens op de wereld. Vanaf de Gouden Eeuw is de manier van bouwen vrijwel niet veranderd. Ze hebben nu nog bijna dezelfde kenmerken als in de 16e en 17e eeuw. De boeg vorm is bijvoorbeeld heel kenmerkend net zoals het gebruik van zwaarden.”
Ton heeft boeken uit antiquariaten die hij spelt. In opdracht van een Zweed bouwt hij nu, geheel uit eikenhout, een Botter de marken 63 ofwel de MK 63, uit 1912. Het voorbeeld haalt hij uit het boek:” De Bouwgeschiedenis van de Botter”. Tot in detail bouwt hij dit schip na. Er komt geen machine aan te pas. Alles wordt met de hand gezaagd, geslepen, gesoldeerd etc. Piepkleine lampjes, kastjes en touwtjes. Je kunt het niet bedenken of het is er, met de zeilen die geknipt, genaaid en geverfd worden in de originele kleur. Exact zoals het originele schip is. Met dit schip, is hij ongeveer 2 1/2 jaar bezig. Ruim 1700 uur! Maar het is nu bijna af. Zijn vorige schip was ook in opdracht van een Zweed. Het was een Zweeds fregat de Eugenie. Het eerste Zweedse marine fregat wat de wereld omzeilde. (Deze keer dus geen Hollands vissersschip). Het werd gebouwd naar een fotokopie en gegevens die hij op het internet had gevonden. Hier is 1188 uur aan gebouwd (iets meer dan een jaar). Hij is 1.10 meter lang. Het origineel staat in Stockhom. Via mond op mond reclame kom ik aan opdrachten, maar zegt hij er bij “als ik een opdracht aanneem stel ik geen datum wanneer het schip af is. Ik werk eraan zo lang als het nodig is en tot het resultaat aan mijn verwachtingen voldoet. Tot nu toe heb ik de verwachtingen van mijn opdrachtgevers kunnen overtreffen”.
“Ga je je niet aan zo’n schip hechten, als je er zo lang met hart en ziel mee bezig bent”, vroeg ik “Ach”, zegt Ton.”Bouwen is leuk maar af is af.”
“Als ik met pensioen ga hoop ik zo veel mogelijk originele rond- en platbodems te bouwen. En die houd ik voor mij zelf”, zegt hij er enthousiast achteraan.

Leni Arends
 

Muoversi verso l’Italia

In plaats van in de tuin te werken zit je onderdak in huis. Het zijn de donkere dagen in de aanloop naar de kerst en je hebt nu tijd voor overpeinzingen, al of niet onder het genot van een glas wijn uit Italië. De wintertijd is voor veel mensen een rustperiode waarbij vaak de gedachten de vrije loop gelaten worden. Zo ook bij ons, twee mensen die hun hart verpand hebben aan een ander land dan dat waarin ze zijn opgegroeid en waarin ze nog steeds hun brood verdienen. Niet dat we Nederland voor altijd willen inwisselen, oh nee, dat niet. We vinden dat Nederland in vele opzichten een prima land is.
 

  Gematigd zee klimaat
Wat ons echter het meest hindert is het Nederlandse klimaat waaronder wij vaak gebukt moeten gaan. Het wordt een gematigd zeeklimaat genoemd en dat is het dan ook. Neerslag is er bij dit klimaat in alle jaargetijden. Bij vele barbecues is dat volstrekt duidelijk geworden. Bij uitzondering slechts kunnen we het weer als stabiel en prettig ervaren. Telkens is het weer anders en in de meeste gevallen slechter dan voorspeld of waarop gehoopt was. Het voorjaar en ook het najaar kan bij ons positief meevallen maar in een veelvoud van jaren is het zomerweer reeds dan alweer zodanig verslechterd, dat het buitenleven zich weer naar binnen moet verplaatsen.

Zon, wijn en tuinfeesten
Nee, het land waarin wij ons in dat opzicht heel prettig voelen en wat we dan ook al jarenlang bezoeken, is Italië.
Hete droge zomer en zachte voor- en najaren zijn het kenmerk van het klimaat van dat land dat de rode Montepulciano d' Abruzzo en de witte Trebbiano wijnen produceert.

Veel zon in Vasco, Italië. (Foto: Henk Vliem)

   

 In oktober nog zwemmen in zee en in de korte broek op het terras zitten. In mei reeds verbranden in de warme voorjaarszon terwijl de winters niet echt koud zijn. De zomers zijn er warm en droog. Een tuinfeest heeft tussen juni en september 95% kans om zonder neerslag en lage temperaturen gehouden te kunnen worden. Daarnaast zijn er natuurlijk de Italianen, een warm en behulpzaam volk. Zij verstaan de kunst om anderen, vreemdelingen zoals ons, het gevoel te geven dat we zeer welkom zijn. Gevoelsmatig zijn we dan ook geen vreemdelingen maar vrienden die op bezoek komen.

Het gevoel
Hoe we nu komen aan dat gevoel van een tweede moederland te hebben? Dat is niet duidelijk te krijgen. Vele gesprekken zijn aan dat gevoel geweid maar het blijft grotendeels onberedeneerbaar. Wat we zien is dat mensen die Italië voor het eerst bezoeken vaak met een zelfde ervaring terugkomen. De Italiaan is hulpvaardig, de mensen zijn veelal positief denkend en erg open. Vaak zijn wij uitgenodigd voor een maaltijd of een glas wijn. Voor ons is het wel duidelijk geworden dat hoe vaker je er komt hoe meer je dat land en haar inwoners mist als je weer hier bent. Vooral nu de dagen kort geworden zijn en de temperaturen laag. In deze tijd van het jaar wordt er in huize Van Dijk-Wagenaar vaak gesproken en gedacht aan dat land van zonne- en menselijke warmte. Italië houdt ons vaak meer bezig dan we eigenlijk willen. Om daar de voor- en najaren te slijten als je het werkzame deel van je leven hebt afgesloten lijkt ons zo mooi, dat we daar ‘s nachts maar ook vaak overdag over dromen. Het houdt ons bezig.

J.D.R. van Dijk
 

God beweegt met mensen mee
 

Irene Plaatsman, derdejaarsstudent in de Godsdienstwetenschappen en Levensbeschouwingen zegt dit met enige schroom. Gaandeweg haar studie komt ze in aanraking met allerlei godsdiensten. Godsdiensten diep geworteld in allerlei nationaliteiten, in allerlei tradities en culturen. Iedere godsdienst probeert een antwoord te vinden en te geven op de mysteries van het bestaan. Een antwoord op het waarom van het kwaad en het lijden, op de verlossing en het hiernamaals. Antwoorden gevat in verhalen; mythen, sprookjes, gelijkenissen. Verhalen in allerlei talen, eeuwenlang via overlevering doorverteld. Verhalen geschreven in boeken als de Bijbel, de Koran, de Bhagavad Gita. Verhalen waaraan mensen betekenis geven. Een godsdienst, of een levensbeschouwing is diep geworteld in mensen. Als je daaraan tornt, torn je aan hun diepste wezen.
 

Verhalenderwijs
Irene vertelt graag verhalen en sprookjes. In de loop der jaren heeft ze deze op heel veel plaatsen verteld. Zo was haar toenmalige huisje aan de Havenstraat op woensdagmiddag gevuld met kinderen die, tegen betaling van een stuiver, luisterden naar haar verhalen. Ook bij begrafenissen en crematies probeert ze gedachten van de nabestaanden te ordenen in een bij hen en de overledene passend verhaal. Vaak met een glimlach naar het leven dat door de dood is ingehaald. Bij het vertellen van deze verhalen mist ze op een gegeven ogenblik een basis en bepaalde autoriteit. “Wie ben ik om dit zo te vertellen. Dit is mijn beleving, mijn visie, maar is dat nu wel zo?”
 
    Irene Plaatsman (Foto: Wolter Karsijns)

De mythe van de mensheid
Irene: “Al als jong meisje was ik op zoek naar de zin van het bestaan. Met mijn vader hield ik vaak gesprekken over het geloven. In zijn vrijzinnige geloofsopvatting was veel ruimte voor vragen over God en het leven. Bij de catechisaties lag ik echter nogal eens in de clinch met de dominees. Zij wisten alles zo zeker. Als zestienjarige las ik het boek “De mythen van de mensheid”. Vanuit allerlei hoeken wilde ik me verdiepen in de zin en wellicht onzin van godsdienst en religie. Het is er tóen niet van gekomen om theologie te studeren. Toentertijd koos je voor deze studie om dominee te worden; dat zag ik niet zo zitten. Ik vond dat ik daarvoor niet genoeg geloofde”. Ik koos voor het onderwijs.”

Wakker worden
Irene komt na haar studie aan de Pedagogische Academie in Groningen al snel terecht in het Speciaal Onderwijs. Daarin heeft ze nu inmiddels al 27 jaar gewerkt. De gedachte om tot haar vijfenzestigste voor de klas te staan (“onze generatie zal wel zolang moeten doorwerken”) benauwt haar. Irene: “Als ik wat anders wil, moet ik het nú doen. Maar wat? Op een nacht werd ik wakker. Ik wist het. Ik ga godsdienstwetenschappen studeren”. Deze stap wordt gezet. Het blijkt dat de studie (op dat moment) alleen maar voltijd wordt gegeven. Dat betekent keuzes maken, qua tijd, qua financiën. Op deze gebieden heb je verantwoordelijkheden. Als vrouw van Pluc ; als moeder van de kinderen Roos (17) en Martien (15) en natuurlijk ook voor familie en vrienden.

De gelukkigste tijd van mijn leven

Het lukt. Irene begint, volgens eigen zeggen, aan de gelukkigste tijd van haar leven. Alhoewel de combinatie studeren, werken en gezin veel van haar vraagt heeft ze het gevoel alles aan te kunnen. Twee dagen werken aan de school voor Speciaal Onderwijs. Via het bureau Ouders & Co lezingen geven op scholen in het noorden van het land over onderwerpen als pesten, waarden en normen, weerbaarheid. Colleges volgen aan de faculteit, studeren en lezen, veel lezen. “Als oudere student krijg ik geen studiefinanciering, maar het collegegeld moet wel worden betaald. Ik schrik dan ook van de kabinetsplannen om het collegegeld voor oudere studenten enorm te verhogen. Veel mensen zijn op een bepaald moment toe aan een andere studie of baan. Wie maakt er als tiener in één keer de juiste keuze? Mensen blijven zo vast zitten in een baan, dat lijkt me niet gezond. Je ziet dan ook dat veel mensen voortijdig zijn afgebrand. Ik ben echter niet kapot te krijgen. De tuin krijgt natuurlijk minder aandacht, maar daar kunnen we wel mee leven. Aan de keukentafel, tijdens de maaltijden, nemen we de tijd voor gesprekken en is er even rust en aandacht voor elkaar”.

De rode draad door mijn leven

“Ik ben dol op godsdienst. Het is de rode draad door mijn leven. Deze brede en veelzijdige studie past dan ook goed bij mij. Ik krijg vakken las godsdienstpsychologie, godsdienstfilosofie, godsdienstsociologie, en helaas ook statistiek. De colleges zijn leuk en boeiend. Wereldgodsdiensten, zoals het hindoeïsme, het boeddhisme, de islam en het christendom, maar ook levensbeschouwingen als het humanisme, worden bestudeerd. Daarbij kun je de oorspronkelijke talen zoals het Sanskriet, het Hebreeuws, Grieks of het Arabisch bestuderen. Wonderlijk is het dat sommige geschriften, eeuwen geleden geschreven, zo talrijk zijn dat ze nog niet zijn vertaald uit hun oorspronkelijke taal. En nog verschijnen er op dit gebied dagelijks vele nieuwe boeken en ontstaan nieuwe inzichten Niet alleen vanuit de hoek godsdienstwetenschappers en/of theologen, maar ook van natuurwetenschappers.

God beweegt met mensen mee
Door haar studie groeit bij Irene het inzicht dat God, het Ultieme, het Onzegbare, het Creatieve, met mensen meegroeit. “Kijk alleen maar eens naar de afgelopen twee eeuwen. Hoe anders is het geloof in 1800 ten opzichte van het jaar 2004? En de veranderingen in de tussenliggende jaren. Kijk maar eens naar het verschil tussen de jaren vijftig en nu. Zoals de inzichten in de natuurwetenschappen veranderen, veranderen ook de godsdiensten. Echter de basis van alle godsdiensten is en blijft de zoektocht naar antwoorden op de levensvragen. Daarin groeit God met mensen mee. Persoonlijk vind ik het jammer dat de rituelen op dit gebied zo langzamerhand verdwijnen. Rituelen zijn belangrijke kaders in een mensen leven. Zoals in het christendom: de doop als welkom in het bestaan, het huwelijk en de rituelen rond de dood als afscheid van het leven. Het lijkt me heel leuk om iets met de leegstaande kerken te doen. Nieuwe onderwerpen aan de orde te stellen.

In beweging gezet

De studie duurt gemiddeld 4 à 5 jaar. Irene doet, na het afronden van de eerste 2 jaar, de master Geestelijke Verzorging met als hoofdvak Godsdienstfilosofie. Na het afronden hiervan wil ze nog verder in de Theologie. Om zich meer te verdiepen in één specifieke godsdienst. ”Ik ben te oud om me nog in een godsdienst als bijvoorbeeld het hindoeïsme te verdiepen. Ik vind dat je dan ook een tijd moet wonen in India, het land van oorsprong.” Studeren houdt je in beweging. Je geest beweegt mee. Aan lichamelijke beweging in de vorm van fanatiek sporten heeft Irene een hekel. Ze wandelt graag, maar daar komt nu even niet zoveel van. Voor de noodzakelijke lichaamsbeweging gaat ze zoveel mogelijk op de fiets van Thesinge naar de Stad. Om zich daar op allerlei terreinen te bewegen. Bij de kinderen en collegae op school; door lezingen te geven en zich te wijden aan de studie. In beweging gezet door een nachtelijke ingeving.


Roelie Karsijns-Schievink
 

On the move
 

Andries en Trijn van der Meulen zittend op de buddyseat van hun Triumph Bonneville T 120, bouwjaar 1973, gecompleteerd met een Tjsechische aanhanger. Met deze motor van Engelse origine trekken ze er regelmatig op uit. O.a. naar treffens van de Triumph Owners Club die drie keer per jaar worden gehouden. Andries is lid van de Noordelijke afdeling, gevestigd in Middelstum. De laatste meeting van het seizoen is altijd op Ameland. Heel gezellig. Een hechte club liefhebbers van Engelse motoren. Allemaal besmet met de “Engelse ziekte”. (Foto: Wolter Karsijns)