Maandelijks Nieuwsblad voor Garmerwolde Thesinge en omstreken

31e jaargang december 2004
 

Met alle drukte over de nieuwe zorgverzekering zou een mens bijna vergeten dat de overheden in Europa zich al eeuwen bezighouden met gezondheidszorg. De nieuwe zorgverzekering is weliswaar een acute zaak, maar het is uiteindelijk maar een van de vele maatregelen van de overheid wat betreft de gezondheidszorg. Wist u dat in Garmerwolde een van de eerste ziektekostenverzekeringen heeft bestaan. Zo kwam de redactie op het idee om voor het kerstnummer eens na te gaan wat er nu vroeger voor voorzieningen voor de “volksgezondheid“ waren in Garmerwolde en Thesinge.
 

De veranderingen in een huisartsenpraktijk
 

Een groot deel van de lezers kent “het huis van de dokter” in Garmerwolde wel. Dit huis werd in 1864 gebouwd als dokterswoning door dr. Folmers . Daarna werd dr. Van Heynen Nanninga hier arts. Hij heeft in 1900 de serre aan de woning laten bouwen. De goede man had veel kinderen waarvan een drietal met tuberculose. Voor het kuren werd er toen een serre aangebouwd waarvan alle ramen open kunnen. Hierna werd dr. Anderson de huisarts, voor de oudere lezers misschien nog wel bekend. Dr. Anderson werd opgevolgd door dr. van der Werff, waarmee we een dubbel interview hadden samen met dr. Friezema, de huidige huisarts.
 

Twee generaties huisartsen: dr. Friezema (staand) en dr. v.d. Werff (zittend).
(Foto: Henk Remerie)

 

Hoe bent U hier terecht gekomen?
Dr. van der Werff: Ik ben als invaller begonnen bij dr. Blink in Appingedam. Dr. Blink en dr. Anderson waren vrienden en op een gegeven ogenblik vroeg dr. Anderson aan dr. Blink of hij geen opvolger voor hem wist. Mijn naam werd genoemd en zo ben ik hier in 1956 begonnen als huisarts. Vergeleken met nu was het toen veel drukker. Je had totaal geen eigen leven. Alles stond in dienst van de praktijk. Ik ben begonnen met 6 keer per week twee keer per dag spreekuur. Daarnaast had je nog 24 uur per dag dienst gedurende 7 dagen per week.

Hoe groot was de praktijk?

Deze omvatte de oude gemeente Noorddijk, Euvelgunne, Roode Haan, Garmerwolde en Thesinge. Je reed toen veel meer visites dan nu, deed veel meer bevallingen, ik had er zo’n 70 per jaar. Vroeger bleven de kinderen langer bij de ouders wonen, kregen daar hun kinderen en er werden veel meer kinderen geboren. Wat ik ook erg leuk vond waren de kleine chirurgische ingrepen, zoals hechten en zweren opensnijden. Het werk op zich is niet zo vreselijk veel veranderd, maar je mag tegenwoordig minder dingen zelf doen. Vroeger deed je kleine laboratoriumbepalingen zoals kijken of iemand bloedarmoede of een ontsteking had.


Vond U het prettig dat er een apotheek bij de praktijk was?

Nee, totaal niet, je had er alleen maar werk van. Er moesten minimaal 8000 patiënten zijn om het rendabel te maken. Alle medicijnen kwamen aan in grote manden met flessen en potten en het moest allemaal uitgeteld en verdeeld worden. Soms kregen de mensen wel eens iets minder en soms wat meer. Een gewoonte in het dorp was dat op zondagmorgen de mensen voordat ze naar de kerk gingen hun lege medicijnflesjes in het kastje buiten neerzetten en verwachten dan dat ze na de kerkgang weer gevuld waren. Dat betekende dus werken op zondagmorgen.

Communicatie
De communicatie was nog niet zo goed, weinig mensen hadden telefoon, wanneer je bezig was met visite rijden en je zag ergens een krant voor de ramen staan betekende dat daar een dokter nodig was. Ook het betalen ging nog ouderwets. Meneer Mulder ging altijd met kwitanties lopen, hij haalde het geld dus rechtstreeks op van de mensen. Er was naast het gewone artsenwerk nog veel tijd nodig voor administratie. Ook werkte iedereen vrij solitair, hoewel dit hier in Groningen wel mee viel. Dat kwam als volgt: In de oorlog was de Slochter kring ontstaan. Dit waren huisartsen uit Ten Boer, Scharmer, Slochteren en Hellum die elkaar tijdens de Duitse bezetting gegevens doorspeelden. Na de oorlog is dit contact blijven bestaan en veranderd in een intensief medisch gesprek, overleg en uitwisseling van gegevens. Dat was in die tijd heel erg vooruitstrevend. Later, in ’72-’73, is de Breedenburgcursus gestart, een bijscholingscursus waaraan je verplicht was deel te nemen. Dat is een heel goede zaak geweest.

Hoe kijkt U nu zelf tegen alle veranderingen aan?
Er is heel veel ten goede veranderd, vooral de automatisering, het minder diensten draaien, de vele hulpmiddelen. Wat minder geworden is denk ik het minder goed kennen van de patiënt, zijn persoonlijke omstandigheden. Het is allemaal wat afstandelijker geworden.

Detta van der Molen

De G.S.M.
In de begin jaren was er geen G.S.M. (mobiele telefoon). Als dr. Friezema visites reed had hij op de stoel naast zich een behoorlijk grote kast staan, de semafoon. Het had drie verschillende lampjes. Als er bij mevr. Friezema een spoedgeval gemeld werd stuurde ze dit door naar de semafoon. Dr. Friezema kon dan aan het lampje zien of het ging om een bevalling, een hartaanval of een ongeluk. Dan zocht de arts een huis waar hij even mocht bellen om te weten waar hij naartoe moest.
Maar als je bij een patiënt binnen was lag de semafoon in de auto, want het apparaat was te groot om mee te nemen. Het kon gebeuren dat er toch enige tijd zat tussen de verschillende meldingen. Het mobieltje is dan ook een ideale uitvinding.

Het alarmnummer 1 1 2
In de beginperiode werd dr. Friezema gebeld als er een ongeluk was op de Rijksstraatweg. Je ging er dan heen maar kon vaak weinig doen. Vervolgens belde je als arts een ambulance. Door nu het nummer 1 1 2 te bellen is de ambulance sneller ter plaatse.
Er wordt geconcludeerd dat het nu beter gaat. De patiënt wordt sneller geholpen, vooral in crisissituaties, bijvoorbeeld als iemand een hartaanval heeft gekregen. Vroeger ging je eerst bij de patiënt kijken, dan stuurde je hem door naar een specialist in Groningen die een eigen praktijk had aan huis. De patiënt moest dan verschillende trappen op voor hij bij de dokter in de behandelkamer was en dan werd er een hartfilmpje gemaakt. De patiënt werd daarna doorverwezen naar het ziekenhuis dus alle trappen weer af. U kunt begrijpen dat daar heel veel tijd mee verloren ging. Het was een wonder als je de hartaanval overleefde.

Relatie arts/patiënt
Ik vraag mij af of de relatie tussen de arts en de patiënt veranderd is?
Dr. Friezema vindt niet dat het wezenlijk veranderd is. De relatie arts/patiënt is hetzelfde gebleven. De patiënt is nog even aardig. Sommige mensen zoeken informatie op internet, daar wordt dan over gesproken. En er wordt vaker samen naar een oplossing gezocht.
Het is natuurlijk wel zo, als je langere tijd een praktijk hebt, je de mensen beter kent en je kunt inschatten: moet ik direct naar iemand toe als er gebeld wordt! Je kent de voorgeschiedenis en de bijzonderheden van de mensen.

Dokterdienst
Sinds 02-02-2002 is de doktersdienst in het leven geroepen. Dr. Friezema heeft zijn diensten in Delfzijl en in Groningen. Dan ken je de patiënt dus niet, je haalt de gegevens over de patiënt uit de computer en je gaat er naar toe. Maar als je daar weer wat langer in meedraait heb je toch herkenning als je bij een patiënt komt waar je eerder geweest bent.
Door de invoering van de doktersdienst is het voor dr. Friezema en zijn vrouw thuis wel wat rustiger en meer ontspannen geworden. Je hoeft niet meer 24 uur bereikbaar te zijn en het gevoel te hebben altijd bij de telefoon aanwezig te zijn. Je wist dat het erbij hoorde, het was en is geen baan van 8.00 uur tot 17.00 uur, maar dit is toch prettiger.

De apotheek
In Nederland zijn nog 285 apotheek houdende huisartsen. Alleen in de provincies Groningen, Friesland en Drenthe. In de beginjaren werden er poeders en pillen gemaakt. Daarna kwam er een periode dat je grote hoeveelheden thuis kreeg waarvan je bijvoorbeeld 200 stuks moest tellen en zelf verpakken. Nu worden bijna alle medicijnen in doordrukverpakking geleverd en kun je ze nog gemakkelijker verwerken. Zoals het er nu uitziet blijft de apotheek wel bij de huisartsenpraktijk bestaan.

De automatisering
De automatisering in de praktijk is de grootste verandering door de jaren heen. Dr. Friezema schreef in de beginperiode de rekeningen samen met zijn vrouw op zaterdagavond. De nota’s werden aan de deur van de desbetreffende persoon geïnd. Nu gaat dat allemaal via de computer en straks wordt het digitaal.

Er is ook een verschuiving bij het afnemen en analyseren van het bloed
Nu stuur je de patiënt door naar het huisartsenlaboratorium voor een totaal bloedbeeld. Via de post krijg je een dag later de gegevens binnen. Met de komst van de automatisering zul je binnenkort deze gegevens ook via het internet ontvangen. In het verleden waren de uitslagen vaak veel langer onderweg.

Patiënten doorverwijzen
Als je een patiënt had die je wilde doorverwijzen schreef je een kort briefje, de patiënt ging op dezelfde dag naar het A.Z.G. en werd ook dezelfde dag nog geholpen. Later kreeg je het systeem met de verwijskaarten en moest je een afspraak maken bij de specialist. En het gekke is dat er nu meer specialisten zijn en je wachtlijsten hebt. Met elkaar maken we blijkbaar meer gebruik van de specialisten. Dit is door de automatisering niet veranderd.

Conclusie
Je kunt zeggen dat de huisartsenpraktijk qua omgang met de patiënten niet veranderd is. De automatisering heeft wel veel veranderingen met zich meegebracht. De huisarts is beter gedocumenteerd, sneller op de plaats van bestemming en kan daardoor betere zorg leveren.
Wel wordt er anno 2005 anders naar de huisarts gekeken; je hoort niet meer zoals vroeger bij de notabelen.

Misschien kunnen we over dertig jaar nog eens een kijkje nemen achter de deur van de huisarts!

Hetty Vermue
 

Het bloed kruipt waar het niet gaan kan

Yvonne Schouteten: 'Hulpverlening hoort bij mij'
 

Sommige gezinnen staan nog scherp op haar netvlies, al ligt de tijd dat ze als wijkverpleegkundige werkzaam was in Garmerwolde en Thesinge inmiddels ver achter haar. Na 29 jaar werken in de gezondheidszorg wilde Yvonne een andere richting inslaan. Maar de hulpverlening bleef trekken…
 

Prachtige tijd
Ruim twintig jaar was ze in dienst van Het Groene Kruis Ten Boer. “Het was een prachtige tijd”, vertelt ze. Het komt uit de grond van haar hart. “Er was eigenlijk niets toen ik hier kwam. Samen met Lucie Nieboer heb ik van alles op poten gezet, zoals de patiëntenadministratie en een cursus ziekenverzorging thuis. We waren ook experimenteel bezig bijvoorbeeld met urineonderzoek bij diabetici. In het begin waren we een soort pioniers, kun je achteraf zeggen. Gelachen hebben we ook veel. Alles ging toen anders. Bij het bevolkingsonderzoek voor tuberculose gingen wij ’s avonds naar de mensen toe die niet verschenen waren.

 

 

 

 

Yvonne Schouteten (Foto: Wolter Karsijns)
 

De meeste mensen hadden toen nog geen telefoon, dus we gingen gewoon aanbellen en vragen of ze nog kwamen. Het was een goede tijd, maar het ligt nu ver achter mij.” Wat ze zo mooi vond aan het werk? “Als wijkverpleegkundige kom je dicht bij de mensen, de drempel is laag. Mijn hart ging vooral uit naar het begeleidende werk. Ik wilde niet alleen ‘technisch’ bezig zijn, maar mensen ook begeleiden bij opvoedkundige vragen, problemen met peuters en kleuters of bij stervensprocessen. Dat was ook wel mogelijk, maar ik miste hierin soms de diepgang, vaak vanwege gebrek aan tijd.”

Andere richting?

“Voor mij was de gezondheidszorg op een gegeven moment een gebed zonder eind. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat was je aan het werk en er kwamen steeds meer taken bij. Veertien jaar geleden ben ik eruit gestapt. Het was op.” Na lang werken in de gezondheidszorg bedacht Yvonne dat het misschien tijd was om iets heel anders te gaan doen. Ze volgde verschillende opleidingen en heeft nu een praktijk voor individuele begeleiding waarin ze lichaamsgerichte psychotherapie geeft. “Blijkbaar ligt mijn wezen in de hulpverlening”, zegt ze. “Maar nu ben ik baas over mijn eigen agenda en probeer ik mijn eigen grenzen te bewaken.”

Méér dan praten
Eigenlijk ligt het werk dat Yvonne nu doet een beetje in de lijn van het begeleidende werk dat haar als wijkverpleegkundige zo aan het hart lag. Maar die verdieping die ze toen vaker miste, is er nu wel. Ze geeft hulp aan mensen die bijvoorbeeld overspannen zijn, relatieproblemen hebben, of het verlies van een geliefde willen verwerken. Maar ook voor mensen die zich rusteloos of gespannen voelen, onvrede hebben met zichzelf en hun leven kan lichaamsgerichte psychotherapie een steun zijn. De therapie houdt méér in dan alleen praten over de problemen. Door ademhaling, beweging, geluid en aanraking komen spanningen, innerlijke conflicten en ingehouden gevoelens naar boven. “Je weet vaak met je verstand wel hoe dingen werken, maar de onvrede blijft. In de lichaamsgerichte psychotherapie gaat het erom dat mensen zelf patronen leren ontdekken en accepteren en van daaruit veranderingen tot stand brengen. Met je hoofd omschakelen, dat lukt meestal niet”, legt Yvonne uit. “Ook het gevoel speelt een belangrijke rol. Verstand en gevoel moeten samenwerken en in balans komen. Dan wordt duidelijker wat je echt met je leven wilt”.

Ontroerend
Het is fantastisch werk, vindt ze. “Dat mensen vertrouwen in je stellen, dat ze je hun ziel en zaligheid laten zien en dat je een eindje met hen mee mag lopen op hun levenspad! Dat boeide mij ook altijd in mijn werk als wijkverpleegkundige.” Groot respect heeft ze voor de mensen - en met name voor de jongeren - die in haar praktijk komen. “Vaak zijn het mensen die in hun leven ontzettend veel te verstouwen krijgen. Ze hebben wel geleerd te overleven, maar proberen weer meer te gaan leven. Ik vind het ontroerend dat ze de moed hebben om dingen uit te zoeken en meer verantwoordelijkheid nemen over hun leven. Want daar gaat het vaak om. Ik reik alleen handvatten aan en ondersteun ze in hun proces.”

Anne Benneker
 

Eeuwen gezondheidszorg
 

Het is misschien aardig om wat van de lange, lange geschiedenis van de “volksgezondheid” te vertellen. Dat was toevallig geen probleem omdat hierover in huis een gedegen boekje rondzwierf, opgesteld door een handvol professoren. Bij “volksgezondheid” moet u niet direct denken aan de relatie van cliënt met arts, maar ook denken aan de maatregelen van de overheid om de “gezondheid van het volk” te verbeteren. Het zijn zaken als vaccinatie programma’s, of de maatregelen van de overheid ingeval toch de gevreesde vogelgriep zal ontstaan. Een andere maatregel van de overheid is dus het nieuwe systeem van ziektekosten. Die verzekering is dus nu verplicht, maar dat was vroeger beslist anders.
 
 

De Middeleeuwen en wat eeuwen daarna
Al in de Middeleeuwen had de overheid beleid betreffende gezondheid en volksgezondheid. Veel steden hadden gemeenteartsen in dienst en er waren maatregelen. Zo had de stad Florence in 1127 een maatregel dat vreemdelingen eerst veertig dagen in quarantaine moesten. Het zal wel iets te maken hebben met de verschrikkelijke pestepidemie in de Middeleeuwen, maar hoe dan ook, ook toen hadden ze al door dat je eerst beter kon kijken of iemand niet ziek was. Ook waren er gast- en godshuizen (lees: ziekenhuizen) voor vreemdelingen/zieken/wezen. Na de Middeleeuwen ontstond in de 18e eeuw de ‘medische politie’, en deze organisatie hield onder andere bij de geboortes en de sterfgevallen. Dat was dus de eerste statistiek over gezondheid, en die wordt nog steeds nauwgezet bij gehouden.

Londen, omstreeks 1850

De uitvinding van de stoommachine resulteerde in de industriële revolutie en deze bracht een enorme toename van de welvaart (en trouwens ook een enorme toename van broeikasgassen en mondiale temperatuurstijging). Die welvaart was verschrikkelijk ongelijk verdeeld en in bijvoorbeeld Londen ontstonden zo bedompte sloppen- en arbeiderswijken. Politiek radicale artsen stelden maatregelen voor. De heersende medische opvatting was dat “kwalijke dampen” de ziekten veroorzaakten. Nu dat het stonk is wel voor te stellen: geen schoon water, geen riolering, geen systematische afvoer van vuilnis (ik herinner me een foto van Groningen uit 1900, waar een dood paard gewoon een paar dagen dood in de straat lag), en de woningen waren donker, vochtig, bedompt. Besloten is toen riolering aan te leggen, wat een mega project was (zoiets als bijvoorbeeld de deltawerken bij ons). Het idee van de “kwalijke dampen” was natuurlijk onzin, maar die riolering bleek een gigantisch gunstig effect te hebben op de volksgezondheid. Zo was er een enorm daling van infectieziekten en sterfte.

Nederland, ongeveer 1900 tot nu
Andere landen namen voortvarend de lessen van de Londense riolering ter hand, maar in Nederland hadden we toen de gewoonte om het pas te doen als iedereen het al lang deed. Het kwam in Nederland op gang in de tijd van Thorbecke en toen is veel in de steigers gezet. Kinderarbeid (dat wil zeggen: jonger dan 12 jaar) werd afgeschaft, er kwamen bouwvoorschriften voor woningen (ze moesten te ventileren zijn, en voldoende ramen hebben, want kromgegroeide botten kwamen nogal voor omdat de kinderen onvoldoende in de zon kwamen), drinkwater werd centraal geregeld en aangemaakt en er werd riolering aangelegd. De maatregelen die er vanaf 1900 genomen zijn, zijn werkelijk teveel om op te noemen. Kinderarbeid, riolering, bouwvoorschriften en drinkwater zijn al genoemd. Maar het pakket maatregelen omvat ook consultatiebureaus, vaccinatie programma’s, de schooldokter, de ARBO (bedrijfsveiligheid), het pakket in het ziekenfonds, GGD, groene Kruis, verkeersregels (verkeersdoden!), ambulances, fluoridering van drinkwater, vuilnis ophaaldiensten, enzovoort, enzovoort. Zo van tijd worden er door het ministerie doelstellingen geformuleerd. Tien jaar geleden waren een paar van die doelstellingen om het aantal hart- en vaatziekten terug te dringen, het aantal verkeersdoden te verminderen, en ook het aantal zelfmoorden. De eerste twee zijn heel behoorlijk gelukt maar het aantal geslaagde zelfmoorden is niet verminderd.

De resultaten

Het kan niet anders gezegd worden: al die inspanningen hebben veel effect gehad, ook omdat natuurlijk de medische techniek enorm is vooruitgegaan. In het boekje wordt in één zinnetje terloops gemeld dat de mens de afgelopen 150.000 jaar gemiddeld niet veel ouder werd dan 30 jaar. In 1850 was de leeftijd al opgelopen tot zo’n 38 jaar. In Nederland is dat in 2000 al wel 78 jaar! Mondiaal zie je het patroon van de geschiedenis in Europa: in arme landen sterf je aan infectie ziekten, in de wat rijkere landen (zoals India en China) is er een overgangsfase waar infectie ziekten geleidelijk “welvaarts” ziekten als hart- en vaatziekten vervangen, en in de rijke landen zijn hart- en vaatziekten de belangrijkste doodsoorzaak.
De voornaamste doodsoorzaak rond 1850 was ten gevolge van infectie ziekten. Dat is wel een beetje te begrijpen. Er was nog geen antibiotica, dus een beetje een forse snijwond was al gauw dodelijk. En verder waren er in de winter niet zoveel verse groenten en fruit. En daarmee werd een griepgolfje niet een kwestie van een week in bed, maar al gauw een strijd op leven en dood die vele slachtoffers kon vergen (die griepgolf dan, niet de strijd).
Tegenwoordig zijn de belangrijkste doodsoorzaken hart- en vaatziekten, gevolgd door kanker. Bij al die successen kunnen toch kanttekeningen geplaatst worden. Behoorde Nederland in 1960 nog tot de top wat betreft levensverwachting, tegenwoordig zijn we terug gezakt tot de middenmoot van Europa. En die nieuwe zorgverzekering is ook maar afwachten, want niemand ontkent dat het een ongewis avontuur is en in belangrijke mate wordt ingegeven door de wens/noodzaak om te bezuinigen. En wat te denken van de voedselbanken in Nederland? Het was iets van ver voor de oorlog, maar tegenwoordig helpt prinses Laurentien op de vrijwilligersdag MADD bij inpakken van voedselpakketten. Ondervoeding verbetert beslist niet de gezondheid.

Karel Drabe
 

Schoolarts
 

Als de kinderen naar de basisschool gaan, is de periode van het consultatiebureau voorbij en neemt de schoolarts het over. Jaarlijks brengt de schoolarts een bezoek aan alle scholen. Ongeveer 20 jaar geleden was het nog de gewoonte dat men eens in de twee jaar kwam. En als er dan al iets bijzonders was dan werd je door verwezen naar de huisarts. Tegenwoordig ligt dat wel wat anders; er wordt heel veel voorlichting geven. De schoolarts Corrie Pijper-Geertsema is sociaal verpleegkundige bij de GGD in Groningen.
 

Als de schoolarts op school komt krijgen de ouders eerst een brief met vragen betreffende hun kind. Deze vragenlijst moet ingevuld en ondertekend ingeleverd worden. In groep 3 komt er een doktersassistent te wegen en meten en voor de ogen test en een komt een logopediste te screenen. Dan komt de sociaal verpleegkundige voor gesprekken met ouders; dat is tegenwoordig verplicht.
Onderwerpen als tandverzorging, sociaal gedrag (heeft je kind vriendjes en vriendinnetjes), waar kijkt je kind naar op televisie, pesten, bedplassen, hoofdluis, gescheiden ouders (hoe gaan kinderen hier mee om) komen veelal aan bod.
In groep 6 word de kinderen gemeten en gewogen en krijgen ze een video te zien van Het Klokhuis over “dik zijn” en krijgen een boekje mee naar huis.
Hoofdluis is ook zo’n gezellig onderwerp. Corrie Pijper liet mij zien hoe die beestjes er uitzagen (wel dood hoor!). Het is geen schande, maar het komt nog steeds zo af en toe voor. Ze vertelde dat vroeger de schoolarts alle kinderen op school controleerden en zo nodig behandelden. Nu hebben ze op de meeste scholen wel een speciaal team (bestaande uit ouders) die hierop regelmatig controleren.
De schooltandarts bestaat niet meer maar menig onder ons zal nog wel weten dat 2x per de bus bij school verscheen. Je moest dan om de beurt daar naar toe; voor velen zal dat niet zulke prettige herinneringen oproepen. Het lawaai van de boren, de strenge tandarts in de bus.
Heeft u vragen omtrent bepaalde onderwerpen wat betreft uw kind kunt u altijd contact op nemen met de GGD in Groningen of u kijken op www.ggdgroningen.nl.

Karla Postma
 

Door dik en dun...

Zelfstandig wonen
 

De oudste inwoner van ons dorp wordt op 24 december 91 jaar! Het is mevrouw Oudman-Huizenga die nog zelfstandig woont aan de Havenstraat in Thesinge. Een huis met een prachtig uitzicht over de landerijen en over het Maar en met een flinke tuin eromheen. Ze verbouwt er nog aardappelen in en rooit ze ook zelf, waarna ze de grond eigenhandig omspit. De laatste jaren verbouwt ze geen andere groenten meer omdat ze bijvoorbeeld om de boontjes te plukken te lang gebukt moet staan. Dat wil niet zo goed meer met de nieuwe heupen. Wel snoeit ze de heg en maait regelmatig het gras. Ook in huis houdt ze al het huishoudelijk werk zelf bij. Alles gebeurt met een zekere routine en het enige lastige de laatste tijd is de nieuwe wasmachine en stofzuiger die er moesten komen omdat ze bijna tegelijk de geest gaven. “Ik doe de was sneller met de hand en aan al die knopjes moet ik nog erg wennen.” Ook eten koken gebeurt met beleid. De vriezer is goed gevuld en ook verse groenten staan geregeld op het menu. Aaltje Mollema zet de bestelde boodschappen zaterdags op het aanrecht en daar kan zij zich de hele week mee redden. Voor de overige boodschappen winkelt zij met haar dochter en man, die in Veenendaal wonen, vrij regelmatig op Lewenborg en in geval van nood is er een zoon in Farmsum of mevr. Groothof uit Thesinge.
 

Meer bewegen
Mevrouw Oudman komt zelf uit een gezin met acht kinderen. Er is nog een broer van haar in leven en hij is 82 jaar oud. Dat zij op deze leeftijd nog zo vitaal zou zijn werd haar vroeger zeker niet voorspeld. Toen de jongste van haar vier kinderen was geboren heeft ze qua gezondheid een slechte tijd gehad. “Trombose was de boosdoener. Dit kwam in vroeger tijd veel meer voor na een bevalling doordat vrouwen veel langer moesten blijven liggen. De oudste drie kinderen werden drie maanden opgevangen door mijn ouders in Ten Post. Wij woonden toen zelf op een gepacht bedrijf in Kommerzijl en mijn man ging af en toe op de fiets naar Ten Post om de kinderen te zien. Je accepteerde dit soort moeilijkheden in het leven en paste je erbij aan. Een buurman zei destijds tegen mijn man: ”Joen vraauw kin nooit meer door dik en dun”. . . Als hij nu nog de ogen kon openen dan zou hij verbaasd staan.

  
   

Mevrouw Oudman. (Foto: Wolter Karsijns)

Het komt vast door het vele werken wat ik gedaan heb. In mei volgend jaar woon ik 60 jaar in dit huis. We zijn in Thesinge begonnen aan de Dijk in het huis waar Zwerver nu woont.”

Baker

Bij toeval rolde mevrouw Oudman in haar functie van baker in ons dorp en omgeving. Ze werd gevraagd om de taak van een moeder van een jonge vrouw over te nemen die een tweede kind verwachte. Zij had de eerste bevalling van haar dochter bijgestaan maar wilde dit niet nog een keer doen. “Als je zelf vier kinderen hebt dan weet je genoeg om een ander te kunnen helpen tijdens de bevalling. Daarna kwam ik voor de verzorging van moeder en kind en voor de huishouding. Vrouwen werden in die tijd op bed gewassen in de kraamtijd en moesten ’t heel rustig aan doen. Tegenwoordig bevallen de meeste vrouwen in het ziekenhuis en gaan meestal na een douche vrijwel direct weer naar huis. Daar is dan de kraamverzorging die hetzelfde werk doet als ik vroeger deed. Zo was ik in 1946 voor ’t eerst baker bij de familie Plijter en in 1982 voor ’t laatst bij de familie van Houten. Toen had ik precies 100 bevallingen bijgestaan. Van Dorpsbelangen ontving ik toen een tinnen bord met inscriptie.” Het boek met alle geboortekaartjes wordt uit de kast gehaald en achterin staan alle data vermeld van de gezinnen waar mevrouw Oudman gekraamd heeft.

Mooi en dankbaar werk
“De afspraken werden ruim tevoren gemaakt en het is slechts één keer gebeurd dat ik op twee plaatsen tegelijk moest zijn. Er werd namelijk een tweeling te vroeg geboren en iemand anders was over tijd. Als je dan zelf ook een gezin hebt met jonge kinderen is het passen en meten. Ook de situatie waarin de baby direct na de geboorte naar het ziekenhuis moest en door de dokter werd meegenomen in de auto herinner ik me nog goed. Het duurde voor de moeder uren voordat het bericht kwam dat het kind ’t had gered. Wachten tot de dokter arriveerde kwam destijds wel eens voor en dan maar proberen de geboorte nog wat uit te stellen door te zuchten en als het kind toch kwam dan vooral zorgen dat het goed warm bleef. Verder mocht ik ook niets doen want ik heb geen opleiding gehad in de kraamzorg. Van m’n 5e tot m’n 12e ben ik naar school gegaan en daarna tot m’n 16e in de wintermaanden twee avonden per week naar de avondschool. We leerden daar vooral handwerken, naaien en verstellen en herhaalden wat taal en rekenen van de lagere school.

Lezen en puzzelen
De kinderen, 8 kleinkinderen en 16 achterkleinkinderen wonen niet echt om de hoek. Voor een deel ook in Canada zodat er achterkleinkinderen zijn die mevrouw Oudman nog nooit heeft gezien. “Met mijn verjaardag vraag ik tegenwoordig of ze niet allemaal tegelijk willen komen. Door mijn gehoor kan ik in groter gezelschap het gesprek niet meer volgen en heb ik er veel meer aan als het wat verdeeld is. Ik verveel me gelukkig nooit. Ik hou van kruiswoordpuzzels en lees graag een boek en de krant. Elke dag lees ik Trouw en elke week krijg ik het regiogedeelte van het Dagblad v/h Noorden. Het gaat me vooral om de familieberichten. Elke middag kijk ik naar “the bold and the beautiful” en daarna naar het journaal. Er zijn wel steeds minder mooie programma’s maar daar zit ik niet echt mee. Ik vind het heel fijn dat er zo vaak eens iemand voor de gezelligheid aan komt. Ik zou zelf ook wel een loopje door het dorp kunnen doen maar dat komt er niet van en bovendien loop ik liever de Klunder in.

Truus Top
 

Het Badhuis
 

Toen we als redactie van de , onlangs het thema voor de decemberkrant bespraken hoorde ik dat er nog niet zo erg lang geleden, in Garmerwolde een badhuis was. Nooit geweten, . . . . en al helemaal nooit geweten dat dit badhuis in het “Oude Groenekruisgebouw” gevestigd was en dat Aaltje Reinders destijds de beheerster was. Tijd dus om eens even een praatje te maken met Jo Reinders. Dan kon ik meteen ook even zien waar Jo nu woonde want Jo is aan het eind van de zomer verhuisd van Garmerwolde naar Ten Boer. Zo gezegd zo gedaan. Dus op een dinsdagochtend, een paar weken geleden, was ik aan de Marskramer te gast bij Jo Reinders. De dochter van Jo, Wilma, was er ook en onder het genot van koffie met koek vertelden zij hoe het zat met het badhuis.
 

Aaltje, de vrouw van Jo werd in 1960 door het bestuur van Het Groene Kruis, afdeling Garmerwolde en Thesinge, aangesteld als beheerster van het toen gloednieuwe Groenekruisgebouw. Dat gebouw was gebouwd op de hoek van de Dorpsweg – Hildebrandstraat; de familie Verbree woont er nu.
Het Groene Kruis, afdeling Garmerwolde en Thesinge, was een geheel zelfstandige vereniging en de faciliteiten die Het Groene Kruis bood waren ook alleen maar bestemd voor de Garmerwolders en Thesingers die lid waren. Maar lid was vrijwel iedereen in die tijd.
De familie Reinders woonde op de bovenste etage van het gebouw.

 
   

Op douchen zonder kaartje stond een zware boete
(Foto: famile Verbree / Henk Vliem)

Beneden waren de douchehokjes (zes stuks), een wachtkamer, enkele ruimtes voor het consultatiebureau en een opslagruimte voor alle spullen die de Thesingers en Garmerwolders tegen een kleine vergoeding konden huren, zoals bedden op hoge poten, ondersteken, weegschalen, zeiltjes voor op de matras enzovoort.
Elke woensdag- en vrijdagavond en op zaterdagmiddag kon er gedoucht worden. In het begin van de zestiger jaren kwamen elke keer wel zo’n veertig á vijftig dorpelingen douchen. Sommige klanten kwamen elke week. Anderen een keer per twee weken of onregelmatig. Net hoe dringend men aan een douchebeurt toe was. Ook kwam de ene badgast met een setje schoon ondergoed naar het badhuis terwijl een ander na het douchen gewoon weer in de onderbroek stapte die hij al minstens een week aan gehad had. Jo: “Een klant uit Thesinge wisselde dat af. De ene week wel schoon ondergoed, de andere week weer in het vuile spul. Dat kwam, vertelde de Thesinger eens aan Jo, omdat de hospita maar eens per twee weken zijn onderbroek wenste te wassen”. Handdoek en zeep moest je zelf meenemen. Je betaalde contant per douchebeurt, je nam een knipkaart of je had een abonnement. Op clandestien douchen stond een hoge boete: wel tweeënhalve gulden.

Aaltje, de vrouw van Jo werd in 1960 door het bestuur van Het Groene Kruis, afdeling Garmerwolde en Thesinge, aangesteld als beheerster van het toen gloednieuwe Groenekruisgebouw. Dat gebouw was gebouwd op de hoek van de Dorpsweg – Hildebrandstraat; de familie Verbree woont er nu.
Het Groene Kruis, afdeling Garmerwolde en Thesinge, was een geheel zelfstandige vereniging en de faciliteiten die Het Groene Kruis bood waren ook alleen maar bestemd voor de Garmerwolders en Thesingers die lid waren. Maar lid was vrijwel iedereen in die tijd.
De familie Reinders woonde op de bovenste etage van het gebouw.
Beneden waren de douchehokjes (zes stuks), een wachtkamer, enkele ruimtes voor het consultatiebureau en een opslagruimte voor alle spullen die de Thesingers en Garmerwolders tegen een kleine vergoeding konden huren, zoals bedden op hoge poten, ondersteken, weegschalen, zeiltjes voor op de matras enzovoort.
Elke woensdag- en vrijdagavond en op zaterdagmiddag kon er gedoucht worden. In het begin van de zestiger jaren kwamen elke keer wel zo’n veertig á vijftig dorpelingen douchen.
Sommige klanten kwamen elke week. Anderen een keer per twee weken of onregelmatig.

 
   

Aaltje Reinders
(Foto: Henk Bouchier / familie Reinders)

Net hoe dringend men aan een douchebeurt toe was. Ook kwam de ene badgast met een setje schoon ondergoed naar het badhuis terwijl een ander na het douchen gewoon weer in de onderbroek stapte die hij al minstens een week aan gehad had. Jo: “Een klant uit Thesinge wisselde dat af. De ene week wel schoon ondergoed, de andere week weer in het vuile spul. Dat kwam, vertelde de Thesinger eens aan Jo, omdat de hospita maar eens per twee weken zijn onderbroek wenste te wassen”. Handdoek en zeep moest je zelf meenemen. Je betaalde contant per douchebeurt, je nam een knipkaart of je had een abonnement. Op clandestien douchen stond een hoge boete: wel tweeënhalve gulden.
Jo zorgde voor de warmwatervoorziening. Hij zorgde dat er altijd een voldoende voorraad gas was en dat de boilers op een goede temperatuur stonden.’s Winters als het glad was of als er veel sneeuw lag kon de bevoorrading met nieuwe gasflessen wel eens problematisch worden, want de flessen werden door de leverancier op de hoek Rijksweg – Dorpsweg neergezet. Voor vervoer naar het Groenekruisgebouw moest Jo maar zorgen.
 

 

In het begin waren er dus genoeg klanten. Ook wel begrijpelijk want vrijwel niemand had thuis een douche in die jaren. Soms zelfs geeneens stromend water. Men waste zich in een teil, eens per week, en vaak het hele gezin met dezelfde teil warmwater. Of iets luxer: het huis had een lavet en men waste zich daarin. Gaande de zestiger jaren kregen steeds meer gezinnen zelf een douche in huis en liep de klandizie bij het badhuis terug. Reden om in 1968 te stoppen met deze voorziening. Ongeveer tegelijkertijd verhuisde de familie Reinders naar de Dorpsweg.

Jo Reinders. (Foto: Henk Remerie)

   

Het Groenekruisgebouw heeft nog een tiental jaren gefunctioneerd als consultatiebureau en uitleenpunt. In 1979 werd het verkocht aan de familie Verbree, die het Groenekruisgebouw verbouwde tot een geriefelijk woonhuis.
Toen ik Jo vroeg naar een paar bijzonderheden of leuke dingen aangaande het badhuis vertelde hij dat dokter van de Werf een tijdje zijn spreekuur in het Groenekruisgebouw heeft gehouden. Dat was toen de praktijkruimte in het doktershuis verbouwd werd.
Een andere gebeurtenis die hem bijgebleven is, was dat er op een avond in een der douchehokjes een dikke drol in de afvoergoot lag. Jo weet nu nog precies wie die viezerd was. “Verder had je toen ook al gluurders”, zegt Jo. “Op een gegeven moment werd er een dorpsgenoot met een spiegeltje betrapt waarmee hij de dame begluurde die in het hokje naast hem stond te douchen”.


Henk Vliem
 

Ziekenfonds Garmerwolde

Eind jaren negentig van de negentiende eeuw, op donderdag 23 april 1896 om precies te zijn, werd in de school de oprichtingsvergadering van het “Ziekenfonds Garmerwolde” gehouden. Misschien was dit wel het eerste ziekenfonds in Nederland, en zo nee: dan zeker wel één der eerste. Het initiatief tot oprichting van dit onderlinge ziekenfonds kwam van de Landbouwvereniging Garmerwolde. Het ziekenfonds had als doel om aan de leden bij ziekte een wekelijkse uitkering te verstrekken. De hoogte van de uitkering bedroeg toen ongeveer één gulden per week. En voor vrouwen nog iets lager zelfs.
 

Nu kun je je nauwelijks voorstellen hoe het geweest moet zijn als je, arbeider zijnde, in die tijden een paar weken ziek werd. Dan moest je jezelf maar zien te redden en was je overgeleverd aan de welwillendheid van je baas of van de Diaconie. In die tijden bestond er namelijk nog geen Ziektewet die voor een arbeider een wettelijke uitkering regelde. Ook was er geen CAO die zorgde dat de uitkering door de werkgever tot honderd procent van het loon werd aangevuld. En er was al helemaal geen Vangnetvoorziening Ziektewet voor uitzendkrachten, freelancers enzovoort.
Er was, in 1896, dus meteen interesse voor dit initiatief van de landbouwvereniging. Op de oprichtingsvergadering waren 23 personen aanwezig. Het eerste bestuur bestond uit de heren: W. F. Hildebrand, P. Stollenga, G. J. F. Keiser, H. J. Wigboldus en H. W. Groeneveld. Om lid van het ziekenfonds te kunnen worden was eenmalig een inleg van 75 cent vereist en vervolgens betaalde men contributie. De eerste paar jaar bedroeg de contributie 15 cent. Verder kende het ziekenfonds zogenaamde “Begunstigers”. Die betaalden een vrijwillige bijdrage in de orde van zo’n één á twee gulden. Daarnaast was er een (forse) jaarlijkse bijdrage van de Diaconie en van de Landbouwvereniging. Het jaar erop had het fonds al 78 leden en 41 begunstigers. Het fonds draaide toen al positief en had zelfs al een reservepotje op de bank staan.
Eén en ander valt te lezen in de notulen van de vergaderingen. Jan Wigboldus maakte me attent op het bestaan van die notulen.

 
   

Aankondiging Feestelijke Jaarvergadering 1917

Hij heeft ze van zijn vader in beheer gekregen, en die kreeg ze weer van zijn vader enzovoort. In een dik cahier staan de notulen van ruim dertig jaarvergaderingen en enkele lijstjes zoals de “Lijst van Begunstigers” en een rooster van aftreden voor het eerste bestuur. De notulen bevatten altijd een financiële verantwoording voor het afgelopen jaar en verder laten ze zien wat er in die dagen zoal speelde. Omstreeks de jaren twintig maakte men zich druk om de komst van een (vernieuwde) Ziektewet. Er bestond namelijk al sinds 1913 een voorloper (Regeling der Arbeiders Ziekteverzekering). Het nieuwe wetsvoorstel op zich was niet zozeer het probleem maar men voorzag een enorme bureaucratisering. Dat betekende ambtenaren die zich fulltime met de uitvoering bezig zouden gaan houden. En dat betekende weer hogere contributies want die ambtenaren moesten ook betaald worden. En verder zou de contributiehoogte ook beïnvloed worden door het ziektepatroon (slechte leefgewoonten) elders in het land. Vergeleken met Noord Holland bijvoorbeeld bedroeg de contributie in Groningen ongeveer de helft.
Het Ziekenfonds Garmerwolde had zich in die jaren inmiddels aangesloten bij de Provinciale Groninger Bond van Ziektekassen en Ziekenfondsen (7800 leden bij 63 locale fondjes). Deze PGBZ was op haar beurt weer aangesloten bij het Nederlands Verbond van Ziektekassen en Fondsen te Den Haag. Samen sterk dus richting de overheid in de onderhandelingen over de ziektewet.
De Jaarvergaderingen van het Ziekenfonds Garmerwolde waren in die tijd altijd Feestelijke Jaarvergaderingen, zo blijkt uit de notulen. Deze vergaderingen werden in het café gehouden, althans de eerste vijfentwintig jaar. Na afloop van het officiële gedeelte volgde (een aantal jaren lang) een toneelvoorstelling van het gezelschap Polyhymnia. Eén der hoofdrolspelers van dit gezelschap was meester W.F. Hildebrand (het is dus niet verwonderlijk dat altijd Polyhymnia optrad op die feestelijke jaarvergaderingen). Deze feestelijke jaarvergaderingen werden altijd druk bezocht, ook door niet-leden.Volgens de notulen werden die vergaderingen meestal “leuk laat” en “heel gezellig”. Vanaf 1921 werd er in de school vergaderd en werd het feestelijke gedeelte geschrapt. De belangstelling voor de vergaderingen halveerde prompt.

Henk Vliem