Maandelijks Nieuwsblad voor Garmerwolde Thesinge en omstreken

33e jaargang december 2007
 

Kom met verhalen
 
 

“En het geschiedde in die dagen”. Een overbekende zin uit het kerstverhaal. Eeuwen geleden door schrijver Lucas op papier gezet. Eeuwenlang wereldwijd gelezen tijdens de kerstnachtdiensten. Gelezen in allerlei talen en in talloze landen. Wonderlijk hoe dit verhaal zijn loop heeft genomen in de wereldgeschiedenis. Hoe dit verhaal de verbeeldingskracht oproept van mensen. Want niet alleen in woorden is dit verhaal doorverteld. Ook in beelden. Denk aan een kerststal, muziek, schilderijen, de symboliek van kaarsen en bloemen.
Deze kerstkrant staat vol met verhalen. Vol van verhalen van mensen die iets hebben met taal. Taal als instrument om te communiceren. Communiceren met de ander, maar ook met jezelf.
 

Wie ben je?
Als iemand vraagt wie je bent, kom je met het verhaal van je leven op de proppen. Meestal een klein deeltje met wat wapenfeiten. Als je iemand beter leert kennen en vertrouwen, vertel je ook de meer intiemere zaken. Op kruispunten in het leven helpt het om je levensverhaal op te schrijven. Het kan helpen om de rode draad in je leven te ontdekken. Om, als je de draad kwijt bent geraakt, deze weer op te pakken.

 
   

De levende kerstal van de Koningsheert in Garmerwolde met de bedenker Ruud Delissen met zijn vrouw Dienke. (Foto: Ton Bouchier)

In het verpleeghuis waar ik werk wordt gestreefd naar het geven van belevingsgerichte zorg. Daarom wordt samen met nieuwe bewoners en hun familie een levensboek ingevuld. Een boek over het leven van de bewoner. Over belangrijke gebeurtenissen, afgewisseld met het alledaagse uit vroeger tijden. Om vast te leggen wat er toen was en nu niet meer is. En het helpt de verzorgenden en naasten om de bewoner beter te begrijpen. Om met de demente bewoner mee terug te gaan in de kindertijd.

Jaarwisseling

Tijd van verhalen en mysteries
met diepere betekenis
Tijd van gevoelens
als geluk, warmte, maar ook gemis
Tijd van wachten op het nieuwe
jaar avond van knallen en zingen
Tijd van goede voornemens
hoop op goede dingen
Tijd voor een heel gelukkig Nieuwjaar
Dat is onze wens aan u allen voor het komende jaar

De redactie van de Express.

 

 

Men neme
Sommige mensen zijn er een hele tijd mee bezig: Wat eten we met de kerst en met wie? Ideeën worden opgedaan door het raadplegen van kookboeken en het uitwisselen van recepten. Daarna worden de inkopen gedaan en de gasten uitgenodigd. Handige mensen hebben een goed kookscenario in hun hoofd en bereiden een tot in de puntjes verzorgde maaltijd. Uiteindelijk worden alle ingrediënten, fraai vormgegeven, gepresenteerd op een mooi gedekte tafel. Minder handige, of gewoon praktische, mensen laten de maaltijd bezorgen of koken een stamppotje. Niet minder lekker, maar anders. Een kaarsje en een goed glas wijn op tafel maken het al gauw gezellig en feestelijk.

 

Een kwestie van keuzes maken. Inspelen op de omstandigheden of je eigen mogelijkheden.

Beelden en vormen

Het schrijven van een verhaal lijkt wel op het samenstellen van een kerstmenu. De ingrediënten zijn er. Letters, woorden, ervaringen, personages. Nu komen de dilemma’s. In welke vorm ga je het verhaal gieten? Waar laat je jezelf door inspireren? Wat wil je nu precies vertellen en aan wie? Hoe maak je van een brij van woorden een logisch verhaal? Sommige mensen hebben de gave gekregen én ontwikkeld om, door met al deze vragen en ingrediënten te stoeien, uiteindelijk een fraai vormgegeven verhaal of boek te presenteren. Anderen láten het doen en huren een tekstschrijver of bureau in om hun verhaal of boodschap te vertolken. Het verhaal wordt kracht bijgezet door fraaie illustraties en/of foto’s. En voor mensen die nog niet, niet meer of moeilijk kunnen lezen is een beeldverhaal met weinig tekst een prachtig middel om verhalen te laten leven.

In de express staan verhalen. Verhalen van mensen uit onze eigen omgeving. Soms geschreven door de mensen zelf. Meestal vertolkt door één van onze schrijvers. Gelukkig is het gelukt om ook dit jaar elke maand weer een krant uit te geven. Dankzij de abonnees en de adverteerders die het financieel mogelijk maakten. Dankzij de dorpsbewoners die hun verhaal hebben toevertrouwd. En dankzij schrijvers, fotografen, redactieleden en de drukker die deze verhalen hebben vormgegeven.

Roelie Karsijns-Schievink
 

"In de mensen een welbehagen..."

Een verhaal
 

Van oudsher, van lang vóór de christelijke jaartelling, is Kerstmis, zonnewende, een feest van eten. Als je in het diepst van de winter, in de duisterste dagen van het jaar, je voorraden ruimhartig durft aan te spreken, dan misleid je de goden en komt er later in de winter geen schaarste - dat was de gedachte. Magisch denken. "In de mensen een welbehagen..." Maar dan moet je wel eten hébben, natuurlijk.

Na een lange zwerftocht was ik in december 1965 in Singapore aangekomen. Daar klopte ik bij de havenpolitie aan om onderdak, en ik werd gastvrij ontvangen: ik mocht wel op zolder slapen. Daar stonden een paar planken op schragen, waarop zij zelf 's middags ook wel eens rustten. Maar ik moest wel eerst met elke plank stevig op de grond stampen, zeiden ze. Nou ja, een of ander Chinees of Maleisisch bijgeloof, dacht ik - vast iets met boze geesten of zo - dus ik lachte en zei: "Ja, natuurlijk!", maar ik trok me er niets van aan en sliep prima.
De volgende ochtend stond er brood met thee voor me klaar - Oosterse gastvrijheid, die ik trouwens niet alleen in het Oosten, maar over de hele wereld heb mogen ondervinden.
"En, goed geslapen?"
"Jazeker!"
"Flink gestampt zeker?"
"Eh, nou nee, eigenlijk niet, nee."
Nou, dat vonden ze wonderbaarlijk! Ik moest wel een heel dikke huid hebben, want als zij die planken niet afstampten, werden ze levend opgevreten door de wandluizen: die rustbedden zaten er vol mee. Was ik echt niet gebeten? Nee, echt niet - maar dat stampen was dus geen kwestie van bijgeloof geweest.

Ik was al jaren van huis, mijn ouders waren oud en eenzaam, en het werd tijd om weer eens naar Amsterdam terug te gaan. Maar ja, vliegen kostte duizenden guldens, varen was haast even duur, en in de havens van Bangkok of Singapore kon ik geen schip vinden waarop ik werken mocht om de overtocht te verdienen: ze waren wel allemaal onderbemand, maar in mijn fonkelnieuwe zeemansboekje ontbrak elke ervaring, dus geen kapitein durfde het met me aan. Overdag zat ik dus maar in de tropenzon op het dak te bakken, en 's avonds zwierf ik een beetje door de havenbuurt en kocht voor veertig cent per keer mijn enige maaltijd van de dag bij een van de Chinese stalletjes op de markt langs de havenkade. Maar na een tijdje raakte ik wel uitgekeken op Singapore, en de havenpolitie op hun ongenode gast. Mijn beetje geld zag ik dagelijks slinken, werk was niet te vinden, en ik wilde eigenlijk toch echt wel naar huis. Dan maar hulp vragen op het Nederlands consulaat.
Het kostte wel enige overredingskracht voordat ik ze op het consulaat zover had dat ik op het eerstvolgende Nederlandse vrachtschip naar huis mocht als consulair passagier, als ik geen duizenden, maar wel honderdtachtig gulden kon betalen. Ik kon dan aanspraak maken op een kooi en maaltijden, mocht niet klagen over kwaliteit, behandeling, omwegen of vertragingen, maar kwam wel van Singapore naar Rotterdam. Nou, graag natuurlijk: ik had dan net genoeg over voor mijn treinreis naar Amsterdam, en dat was alles wat ik nodig had. En drie maaltijden per dag, die had ik in lange tijd niet genoten.

Maar het werd zelfs beter toen ik eenmaal aan boord van de Roebiah was, een stoomschip op de wilde vaart, al anderhalf jaar van huis, en nu op weg van Noord-China naar Nederland. Er waren maar drieëntwintig man aan boord, terwijl het er eigenlijk vijfenveertig moesten zijn. Ga je dan als enige een hele maand lang tussen drieëntwintig hard werkende kerels op je kont zitten, zonder een cent voor een biertje of een pakje sigaretten, voor alles afhankelijk van die werkers, maar zonder iets uit te voeren? Nee toch?
"Wil je werken?"
"Natuurlijk wil ik werken. Maak mij maar lichtmatroos, of hoe dat heten mag."
"Nou, matroos, aan dek, dat mag niet. Ga maar naar het kombuis. Je bent koksjongen."

En zo was ik dus koksjongen op de wilde vaart. In de nacht van 24 op 25 december voeren we uit, en op eerste kerstdag om zes uur 's ochtends begon mijn dienst.
"Laat maar zwemmen", zei de kok - de chef-kok zei niks.
Dat betekende dat ik alles wat er nog in de pannen stond van de vorige avond overboord moest gooien. Dat waren aardappeltjes, spercieboontjes en gebakken niertjes, en niets daarvan heeft de zee gehaald: ik gunde het de vissen niet en wist er wel weg mee, aan de reling staand. Toen moest het ontbijt geserveerd worden, en toen de lunch klaargemaakt, en toen het avondeten. Een kerstdiner hebben we bereid, met ons drietjes, een verrukkelijk feestmaal, met alles erop en eraan: garnalencocktails vooraf, pudding met slagroom toe, aardappelen, groenten, appelmoes, en als hoofdgerecht 48 prima biefstukjes. Twee biefstukjes de man, en voor mij dus ook twee.
Maar niet iedereen lust graag biefstuk, en zeker geen twee. Zes man lieten een biefstukje staan, en voordat ik, na zestien uur keihard werken, 's avonds doodmoe het door mij brandschoon geschrobde kombuis uit mocht om als een blok in mijn kooi te rollen, kreeg ik nog een opdracht:
"Laat maar zwemmen, die biefstuk!"
En toen had ik dus vóór het slapen gaan nóg zes biefstukjes, met een flesje bier dat ik van de chef-kok gekregen had. Kerstmis 1965. "In de mensen een welbehagen..."? Nou, in mij zéker!

Rudy Bremer

 

Als taal een probleem is

Anki Boekholt geeft les aan laaggeletterden
 

Een boodschappenbriefje schrijven, een formulier invullen of je kind voorlezen. Je doet het automatisch. Maar voor ongeveer 1,5 miljoen mensen in Nederland is dat helemaal niet zo vanzelfsprekend. Zij hebben grote moeite met lezen en schrijven en daardoor functioneren ze minder goed in het dagelijks leven of op hun werk. Anki Boekholt uit Garmerwolde werkt op het Noorderpoortcollege en geeft daar les aan verschillende groepen laaggeletterden.

 
   

Anki Boekholt (foto: Henk Remerie)

De cijfers
Van die 1,5 miljoen mensen is een deel (250.000) vrijwel geheel ongeletterd of analfabeet. Zij kunnen dus niet of nauwelijks lezen en schrijven. De overigen zijn laaggeletterd: zij hebben wel leren lezen, schrijven en rekenen, maar beheersen deze vaardigheden onvoldoende. In tegenstelling tot wat de meeste mensen denken, is het merendeel van hen in Nederland geboren. Er zijn naar schatting 1 miljoen autochtone en 500.000 allochtone laaggeletterden. In de provincie Groningen gaat het om ongeveer 45.000 mensen.

Prinses Laurentien helpt
Laaggeletterdheid is dus een groot probleem, dat des te moeilijker aan te pakken is omdat mensen zich ervoor schamen. Anki heeft wel het idee dat het werk van prinses Laurentien helpt. Prinses Laurentien is voorzitter van de Stichting Lezen & Schrijven, die het probleem bespreekbaar maakt en werkt aan oplossingen. “Mensen melden zich zelf aan voor de cursus, meer dan vroeger”, is haar ervaring. De groep waaraan zij lesgeeft, is heel divers. “Er zitten mensen in die zeer laagopgeleid zijn naast mensen met een leerstoornis. Oudere mensen, die door hun ouders van school zijn gehaald - ‘Kom jij maar op de boerderij werken’ - maar ook jongeren die problemen hebben gehad op school. Ook het niveau is verschillend. Voor sommigen is het een probleem om post te herkennen. Wat is reclame, wat is een bankafschrift, wat moet je bekijken en wat kun je weggooien. Een ander kan wel spellen, maar is bang spelfouten te maken. En weer een ander ziet het lezen en schrijven als een probleem, maar dan blijkt het heel erg mee te vallen als hij eenmaal aan de gang is. Wie echt goed bezig is, élke dag een kwartier oefent met lezen en een kwartier met schrijven, kan een eind komen in een jaar. Maar dat is niet voor iedereen weggelegd.”
Het is soms even diep zuchten als je begint, maar dan is het eigenlijk heel leuk, zegt Anki over het lesgeven. “Er zitten wel mensen bij die veel persoonlijke aandacht vragen. Maar het is meestal ook heel gezellig. Zo ervaren de cursisten dat ook.
Het is natuurlijk vooral mooi om te zien dat mensen vorderingen maken; dat iemand die niet kon schrijven nu schrijfletters en computerletters onderscheidt en hele teksten overtypt.”

Werken met handen en voeten
Stel je voor dat je in China komt; je kunt de opschriften niet lezen, de klanken niet verstaan. Dat moet ongeveer zijn wat de jonge Somaliërs ervaren uit de groep van de inburgeringscursus die Anki ook begeleidt. “Als je goed bent opgeleid, weet je hoe je een taal moet leren. Maar we hebben hier ook mensen, die door de oorlog geen of hooguit twee jaar school gehad hebben en dus in hun eigen taal ook analfabeet zijn. Dat is in het begin echt handen- en voetenwerk. Soms fungeert een andere cursist als tolk. Wat je ervaart en ziet, blijft beter hangen. We beginnen het taalonderwijs daarom met de Total Physical Response-methode. Je zegt bijvoorbeeld ‘staan’ of ‘pak die tas’ en doet dat dan ook. Stel je maar eens voor dat je zelf zo Chinees leert; de leraar uit een paar Chinese klanken en gaat staan. Na een tijdje weet je dat die klanken betekenen dat je moet gaan staan.”
Al snel gaan deze cursisten stage lopen om werkervaring op te doen. Anki: “Ze komen dan soms terug met Groningse uitdrukkingen als ‘goud’ en ‘ach mien laiverd’.
Veel mannen en jongens willen graag vrachtwagenchauffeur of automonteur worden. Maar ik moet ze uitleggen dat dat niet kan. Sleutelen aan een auto gebeurt nauwelijks meer. Alles gaat tegenwoordig met elektronica en daarvoor moet je ingewikkelde handleidingen kunnen doorlezen. Dat blijkt voor de meesten niet haalbaar. Ik ben nu bezig om iemand te helpen met de opleiding magazijnmedewerker. Je komt woorden tegen als ‘voorraadbestandsnauwkeurigheid’. Nou, ga er maar aan staan!”

Wilt u meer weten? Of kent u iemand die een lees- of schrijfcursus wil volgen? Neem contact op met het Noorderpoortcollege in Appingedam of Winsum. Bel 0596-692961 / 0595-441414 of kijk op www.noorderpoortcollege.nl.

Anne Benneker
 

Leren en illustreren

In hun werk hebben Marleen Zuidema en Tineke Meirink dagelijks te maken met lezen en schrijven . Maar wel op een heel andere manier. Marleen Zuidema is leerkracht OBS Garmerwolde groep3, 4 en 5 en Tineke Meirink is illustrator.

Ze interviewen elkaar.

Tineke heeft een paar vragen voor Marleen.

Wanneer beginnen kinderen eigenlijk met lezen en schrijven?
De kinderen beginnen meestal met lezen en schrijven aan het eind van groep 2 begin groep 3. Er zijn natuurlijk uitzonderingen, maar over het algemeen...

Waar start je mee in de klas, met lezen of schrijven?

Meestal begin je al vrij snel met het aanbieden van boekjes, dit gebeurt vaak al in de thuissituatie. Het eigenmaken van leesstrategieen zoals bijvoorbeeld een boekje lezen van voor naar achter en regels lezen van links naar rechts zijn de eerst beginselen. Schrijven begint ook al vrij vroeg met verschillende tekenlijnen.
Leren ze lezen en schrijven enkel uit schoolboeken of ook op andere manieren?
Kinderen leren niet alleen uit de methode, er zijn in hun omgeving veel verschillende prikkels (denk hierbij aan tv, boodschappen e.d.) Vanaf groep 3 heb je vaak wel een methode.
Wij gebruiken de methode ‘veilig leren lezen’. De meeste mensen kennen dit als 'maan, roos, vis'. Uiteraard zijn er nu alweer nieuwere versies. Hierbij worden veel verschillende hulpmiddelen gebruikt, zoals de computer, differentiatie in verschillende werkboekjes, klik-klakboekjes, stempelen en de letterdoos.

 
    Marleen Zuidema (foto: Ad-Jan van Larsdonk)

Kun je iets vertellen over de term AVI-niveau's?
De term AVI is een bepaald niveau van kinderen die ze hebben op het gebied van lezen. Hierbij gaat het om het correct lezen van woorden en zinnen en het tempo. Je begint bij niveau 1 en als je helemaal op niveau zit heb je niveau 9. Dit hebben de meeste kinderen bereikt in groep 6/7.

Wordt er op de OBS Garmerwolde naast technisch goed leren schrijven ook aan creatief schrijven gedaan?

In ons geval begint dat in groep 3, dit zit binnen de methode veilig leren lezen. In latere groepen komt het vooral in de taallessen naar voren. Meestal zijn er in het schooljaar ook projecten, en de kinderboekenweek waarbij dit tot uiting komt.

Wil je nog iets toevoegen?

Er is niet altijd een exacte leeftijd om aan te geven wanneer kinderen gaan lezen. Vaak heeft het ook niet veel nut om kinderen te dwingen om te gaan lezen, dit gaat ten koste van het leesplezier. Kinderen geven vaak zelf wel aan wanneer ze er aan toe zijn, en voor de ene zal dat 3 jaar zijn en de andere als die 6 is. Maar het komt vanzelf.
 

Dan heeft Marleen ook nog een paar vragen voor Tineke.

Je tekent voor verschillende methoden en hebt verschillende opdrachten, is het voor jou makkelijk om je stijl aan te passen of gebruik je vaak dezelfde stijl?
Nou, ik heb toch wel een herkenbare, eigen stijl. Het is wel zo dat ik veel met materialen experimenteer. Maar je kunt toch altijd wel zien dat ik het heb gemaakt.
Teken je voornamelijk voor kinderen of ook voor volwassenen?
Ik teken voornamelijk voor kinderen.

 

 
    Tineke Meirink (Foto: Karla Postma)

In hoeverre is tekst belangrijk in jouw werk?
Teksten zijn altijd het uitgangspunt voor mijn illustraties. Eerst is er tekst, of het nu om educatieve uitgaven, prentenboeken, puzzeltjes in tijdschriften of televisie gaat. En naar aanleiding van die tekst, maak ik een illustratie. Soms maakt die tekst ook deel uit van het beeld. In prentenboeken zie je dat wel. Ik vind dat mooi wanneer tekst en beeld samenkomen en elkaar versterken.
Je hebt een boekje uitgebracht, heb je de tekst ook zelf verzonnen of heeft iemand anders dat gedaan?
‘Druk druk druk’ heb ik zelf geschreven. Al is ‘geschreven’ wel een groot woord aangezien er per spread maar één regel tekst is. Maar je moet ergens beginnen. Toch ben ik meer illustrator dan schrijver. Dat heb ik wel ontdekt.
Waar haal jij je inspiratie vandaan?
Muziek. Ik luister altijd naar muziek als ik aan het werk ben. En uit de winkel van mr. en mevr. Flokstra. Al die verschillende soorten papier, geweldig. Ik zou alles wel willen kopen. Maar het komt toch meestal neer op gewoon aan het werk gaan en aldoende ideeen krijgen.
Je staat nu zelf ook voor de klas, is de creativiteit van de kinderen ook anders dan een aantal jaren geleden?
Dat zou ik niet weten, want ik ben nog maar sindskort een bik’er (bik staat voor beroepskunstenaar in de klas). Maar de creativiteit verschilt wel veel per school. Je merkt dat op scholen waar veel aandacht is voor creatieve vakken, kinderen zich over het algemeen veel makkelijker uiten dan wanneer dat niet zo is.
Is er iets wat je heel erg graag nog een keer zou willen doen, waar je tot nu toe nog geen kans voor hebt gehad op het gebied van creativiteit?
Zoveel. Tekenen voor andere doelgroepen, animaties maken, Gouden Penseel winnen (met een Zilveren ben ik ook blij), experimenteren met druktechnieken, atelierworkshops geven (en dus een groter atelier hebben), samenwerken met mijn zus die fotografe is, een succesvolle webwinkel opzetten…ik droom nog even verder.

Marleen Zuidema en Tineke Meirink
 


De Digitalewereld stap voor stap

  

Russisch, Grieks, Engels, Fins, Gebaren, Fries, het zijn allemaal officieel erkende talen (van Fries weet ik het niet helemaal zeker, maar daar ga ik dan nu maar even vanuit). Sms-taal is echter niet wettig erkend en lang niet iedereen weet wat het is. Gelukkig ben ik hier om u daar eens even flink wat over te gaan vertellen. Dolletjes.
 

Heel, heel lang geleden is sms-taal ontstaan, toen men in Nederland rond 1994 de mobiele telefoon (nog wel met antenne, maar zonder snoer) uitvond en verkopen ging. Met die telefoons kon de communicatieve mens bellen (duh) én bovendien sms’en.

sms-be·richt
(het ~)
1 kort bericht verzonden met een mobiele telefoon [short message service] => sms'je

Sms’en is goedkoop (ongeveer 9 cent per sms), dus al snel werd het een enorme hype die nog steeds voortduurt.
Desalnietteplus kost een sms versturen voor de minder moderne mens (of de mens met dikke duimen) behoorlijk wat moeite (met alle respect). Elk woord moet namelijk per letter worden gevormd, op elke toets staan zo’n 3 letters en door die in te toetsen wordt een woord gevormd. Juist, ingewikkeld en een hels karwei.
Zo gek is het dus niet dat er behalve de muis-arm ook al personen met de sms-duim zijn gesignaleerd (geen paniek, rust heelt alle wonden). Heuse wedstrijden worden er trouwens gehouden om te kijken wie het snelst kan sms’en.. Immers, je moet ergens goed in zijn.
Nou is er een klein probleempje. In een sms kunnen namelijk maar een bepaald aantal tekens. Meestal zo’n 160. Dat lijkt een hele hoop, maar alleen de eerste zin van dit stukje zijn het er al 175 inclusief spaties. Dus inderdaad, hele levensverhalen worden er niet per sms verzonden. Maar u begrijpt dat het niet zo gek is dat sms’ers woorden gingen verbuigen, symboliseren en verkorten om in zo min mogelijk tekens de boodschap over te brengen. En daar zijn de liefhebbers van de Nederlandse taal niet echt blij mee, ook mijn docente Nederlands niet (hoewel zij toch een fervente sms’er is.
Ff w8en (even wachten), frljppn (fierljeppen), wauto? (waar staat de auto?), ben boo doe (ben boodschappen aan het doen), zijn slechts een paar voorbeelden. De echte code gek heeft voor elk cijfer een andere betekenis. 51 = je soep wordt koud en 62 = bel dringend je vader.
Maar ja, overbrengen is één, begrijpen nummer twee.
Per sms worden er relaties aangegaan wymm?, eveneens verbroken gooml!, vertelt dat k wa ltr kom…..X en mede gedeeld 7UV BMT!
Het is inderdaad niet gemakkelijk om dit te lezen, laat staan begrijpen. Na een kleine steekproef in Atheneum 6 trok ik de conclusie dat de meesten sms-taal irriterend vonden, niet veel gebruikten en vaak niet begrepen (en dat doet dan Atheneum..). Als het dan al werd gebruikt dan de standaardwoorden; hvj (ik hou van jou), iig (in ieder geval) en X (kus).
Inmiddels zijn er voor de mens met dikke duimen verschillende oplossingen; sms’en via de computer en de mobiele telefoon met computertoetsenbord (Goeiemoggel reclame; zap rond 8 uur langs alle kanalen, dikke kans dat je deze voorbij ziet komen).
Dus dat is al één probleem minder.
De mensen met sterke vaderlandse gevoelens voor de Nederlandse taal zullen toch in hun ziel gekrenkt blijven en voor hen slechts 1 tip: GA MAILEN!
Kmoet nl nu nr de afchi, mn fam hep hongr. Over mailen zal ik u daarom de volgende keer inlichten bij ‘De digitale wereld stap voor stap, deel 2’. Dolletjes.

Annemiek Havinga
 

Geen eelt op de vingers

 

‘Merkwaardig,’ zegt tekstschrijver en vertaler Edzard Krol. ‘Als ik regelmatig hardloop, vormt zich een stevige laag eelt onder mijn voeten. Maar hoeveel uren per dag en dagen per week ik ook achter mijn computer zit, en hoeveel letters ik ook met mijn vingers tik, op die vingers verschijnt geen spoortje eelt. Dit soort werk valt niet te trainen, zo lijkt het wel.’

 

 
    Edzard Krol en Ton Heuvelmans. (Foto: Myla Uitham)

Edzard vertaalt vanuit het Engels, meest informatieve teksten, soms een roman, voor verschillende uitgevers. Als tekstschrijver krijgt hij veel opdrachten voor de afdeling Communicatie van de RUG. In de beeldende kunst die hij nu en dan produceert, voert tekst eveneens de boventoon. Zo vertelt hij over een filmpje dat hij eens voor een expositie maakte: ‘In dat filmpje is een Poolse vrouw te horen die een Drents gedicht voordraagt. Als je goed luistert, valt op dat ze niet snapt wat ze leest – de vrouw verstaat geen woord Nederlands, laat staan Drents. Maar op een of andere manier krijg je als Nederlandssprekende luisteraar het gedicht toch grotendeels mee. Je snapt zo ongeveer wat ze zegt, al werkt haar niet-begrijpend voorlezen tamelijk vervreemdend.’
Het filmpje laat de Poolse vrouw zelf niet zien. In plaats daarvan verschijnen flarden tekst in beeld, citaten uit de Dikke van Dale, geen Drents maar een Nederlands woordenboek. Zodra de Poolse vrouw een woord uitspreekt, zie je een uitgebreide omschrijving van dat woord op het scherm. Bij het uitspreken van het woord ‘ritmiek’ lees je bijvoorbeeld: ‘ritmiek (v.; g.mv.), 1 leer van de ritmen; 2 het ritmisch-zijn, mate waarin iets ritmisch is: de ritmiek van een beweging, van zekere verzen.
‘Op het eerste gezicht,’ licht Edzard toe, ‘lijkt de situatie gered: het onbegrip van de Poolse vrouw wordt opgeheven door betekenisomschrijvingen uit een officieel woordenboek. Maar o jee, de omschrijving uit het woordenboek is ingewikkeld en te lang om zo snel te lezen. Want je ziet niet één omschrijving van een woord, op het ritme van de Poolse vrouwenstem volgen de woorden elkaar in hoog tempo op en ongelezen flitsen de lange omschrijvingen uit het woordenboek voorbij.’

Wat wil je met zo’n filmpje?
 ‘Ik heb er aardigheid in om spelletjes te spelen met begrip en onbegrip,’ vertelt Edzard. ‘Onder meer omdat je, als je iets niet begrijpt, of bijna begrijpt, vaak je fantasie in gang zet om tot een soort oplossing te komen. Dat is toch verrassender dan wanneer je iets volledig begrijpt, dat gaat gauw vervelen.’
Ook als vertaler dicht hij een bepaalde mate van onzekerheid een rol toe. ‘Ik durf het bijna niet te zegen, maar ik vertaal het liefst zonder dat ik het boek eerst doorlees.’ En dat terwijl ik als docent vertalen altijd vertel dat je een boek eerst een of twee keer moet doorlezen, vervolgens het hoofdstuk nog een keer en dan pas aan de slag kunt gaan. Alhoewel ik de laatste tijd eveneens geneigd ben te vertalen zonder al te veel vooraf te lezen. ‘Ik wil graag verrast worden als ik vertaal,’ zegt Edzard. ‘Wie weet sijpelt er iets van die spanning door in de zinnen die ik produceer. En ontstaat er zo ook geen eelt in mijn hoofd.’

Ton Heuvelmans
 

Niet bij de Taas
 

Na een lange loopbaan in het voortgezet onderwijs is Ton Heuvelmans tegenwoordig fulltime vertaler. Hij specialiseert zich in moderne Engelse, Amerikaanse en Canadese literatuur, en werkt thuis. Naast zijn leraarschap is hij ooit beëdigd tolk/vertaler geworden, en hij tolkt zo nu en dan nog weleens in rechtbanken. Maar de literatuur heeft zijn voorkeur, en daaraan besteedt hij de meeste tijd.

Heuvelmans heeft ooit besloten om bij het vertalen één doel na te streven: als iemand een vertaling van zijn hand leest, moet hij geen ogenblik de indruk krijgen dat het boek vertaald is. Het Nederlands moet vlot en natuurlijk lopen, en daarvoor moet je soms concessies doen aan het origineel (‘de brontekst’). ‘Als je al lezende regelmatig het origineel door de vertaling ziet heen schemeren,’ stelt hij, ‘dan voel je je als lezer bij de taas genomen. Dan ga je op de verkeerde dingen letten en gooi je na een poosje het boek in een hoek.’
Op de speciale website voor vertalers speelt zich regelmatig een discussie af over hoe letterlijk of hoe vrij je moet en mag vertalen. Zoveel hoofden, zoveel zinnen. Niemand is het met elkaar eens. Ton is jaren geleden opgehouden met het aanvragen van werkbeurzen bij het Fonds voor de Letteren. ‘In de jury zitten kennelijk meer preciezen dan rekkelijken, want ik kreeg vaak nul op het rekest, terwijl mijn uitgevers dik tevreden zijn,’ zegt hij. ‘Er verschijnt zo nu en dan zelfs een lovende recensie in de pers, wat uitzonderlijk is in Nederland, want vertalingen worden meestal doodgezwegen of afgezeken.’
Hij beperkt zich nu tot het aanvragen van ‘reizende werkbeurzen’. In 2006 heeft hij vier weken vertaald in de Canadese Rocky Mountains. Zojuist heeft hij aanvragen verstuurd voor een verblijf van drie weken in een Huis voor Schrijvers in de Hudson Valley, en opnieuw voor iets in Canada. Nooit geschoten, altijd mis.
Hoewel hij niet rouwig is om het beëindigen van zijn leraarschap, kruipt het bloed toch waar het niet gaan kan. Tegenwoordig reist hij iedere vrijdag af naar Amsterdam om aan de Keizersgracht vertaalworkshops te geven aan de Vertalersvakschool. ‘Dat is om meerdere redenen een aangename en eervolle opdracht,’ meent Ton. ‘Na al die jaren lesgeven, kan ik wel een verhaal vertellen. Bovendien kan ik mijn enthousiasme over het vak van vertaler op die manier overbrengen op jonge, even enthousiaste leerlingen en gezellen. Hoewel ik iedere vrijdagnacht gebroken terugkeer uit het westen, overheerst toch een gevoel van grote voldoening. Weer iets bijgedragen aan het ontwikkelen van nieuw vertaaltalent.’

Edzard Krol
 

Heggesprek

 

Dit is ’n tweegesprek tussen Haye van den Oever en Ragini Werner, buren in de Luddestraat in Thesinge. Haye is leraar Engels aan het Ommelander College te Appingedam. Hij geeft les sinds 1974. Gini was vroeger bedrijfsjournaliste bij Elsevier Science te Amsterdam. Nu is zij freelance redactrice en bedient haar klantenkring met haar Native-English Editing Service.
Wat hebben deze Thesingers nog meer gemeen, behalve dan het feit dat ze buren zijn? Qua uiterlijk zou je het nooit raden. Haye is lang, slank en liever beweeglijk. Gini is klein, rond en liever lui.

   
    Haye van den Oever en Gini Werner (foto: Myla UItham)

Hij komt oorspronkelijk uit Harlingen maar is al ruim 30 jaar thuis in Thesinge. Zij groeide op in Nieuw Zeeland, verhuisde, via Sydney en Londen, in 1980 naar Amsterdam en woont pas sinds 2000 in Thesinge. Afzonderlijk hebben deze buren een heel andere achtergrond. Maar, als je ze vraagt twee dingen te noemen die ze echt leuk vinden, leer je dat ze evenveel van motorrijden houden en, belangrijk voor het thema van dit nummer: ze delen een voorliefde voor en een fascinatie met de Engelse taal.

Het is zomer 2007. Gini zit in haar tuin op de schommel te genieten van de zon, haar twee hondjes en een Engelstalige thriller. In de tuin ernaast loopt Haye heen en weer zijn grasveld te maaien. Het is heet. Het gebrom van de grasmachine is rustgevend. Terwijl Haye rustig in beweging blijft, doet Gini even haar oogjes dicht tegen dat felle zonlicht. Kort erna, als Haye zijn tuinspullen opgeborgen heeft, hoort hij een bruisend geluid. Over de heg tussen de tuinen in ziet hij Gini, die heerlijk op de schommel zit te snurken.

Haye (nadert het stukje heg naast de schommel. Hij praat zachtjes): Dag buurvrouw. (Zij schrikt wakker, haar hondjes blaffen)
Gini (roept bazig naar haar hondjes): Oliver! Cleo! Houd op met dat geblèr! Wees lief tegen je buurman, anders stuur ik je naar Korea waar je op de menukaart komt te staan! (Plots zijn de hondjes stil) Nou, da’s beter! And a good day to you, too, buurman.
H: (lacht met haar mee) Heb jij zin in een Engelse krant?
G: Ah, heb je de Daily Telegraph weer uit? Wat fijn! Ja hoor, ik lees hem graag.
H: Goed, ik zal hem even voor je pakken.
G: Straks is ook goed. Vertel me eerst, waarom lees je zo graag deze Engelse krant?
H: Doe jij dat dan niet?
G: Natuurlijk, maar voor mij is het logisch. Het is mijn moedertaal. Voor jou toch niet?
H: Ach ja, Engels voelt voor mij net zo vertrouwd. I love the language. En deze Engelse krant is zo veel meer informatief dan de gemiddelde Nederlandse krant. Engelse kranten hebben in het algemeen een bredere kijk op de wereld dan Nederlandse kranten, ze zijn niet zo beperkt. Dat is ook logisch als je bedenkt dat het Britse Koninkrijk, the British Empire, ten tijde van Koningin Victoria gigantisch groot was.
Ik ben ook gefascineerd door wat men noemt de ‘realia’ van het land, de practische feitjes, alles wat er mee te maken heeft, zoals de geschiedenis, de cultuur en het zelf-beeld van de Brit, met al zijn beperkingen en gewoontes. Iedere keer als ik deze krant gelezen heb, kom ik tot de conclusie: een heerlijk vakantieland, maar ik zou daar niet willen wonen!
G: Ha! Ik zou Thesinge ook niet willen ruilen. Maar waar komt jouw taalpassie vandaan?
H: Op school was ik nogal goed in Engels, jij ook zeker? (Zij knikt) En als je goed in iets bent, dan gaat het leren vanzelf. Het werd dus voor mij een makkelijke keus om Engels te gaan studeren. Ik heb mijn scriptie gewijd aan de Britse legerofficier/geheim agent T.E. Lawrence, vooral aan zijn prachtige boek The Seven Pillars of Wisdom. Ken je het?
G: Jawel, maar heb ’t nooit gelezen. Lawrence ken ik meer vanuit de film uit de jaren 70, met Peter O’Toole in de hoofdrol, roekeloos rijdend op z’n motor of op een wilde kameel…
H: Lawrence of Arabia, ja! Die film heeft zo’n indruk op me gemaakt en heeft zeker een rol gespeeld in de keuze van mijn scriptie. Ach, Engels, je raakt nooit uitgeleerd.
G: Daar zeg je wat. Ik ben het zelfs weer gaan studeren en volg nu een cursus bij het Instituut voor Tolken en Vertalers in Utrecht om mijn editing skills op te poetsen.
H: Klinkt heftig! Maar, als ik vragen mag, wat betekent Native-English Editing Service? Ik bedoel, wat doe je precies voor werk? En waarom noem je jezelf geen vertaalster?
G: (lachend) Omdat ik dat niet ben. Vertalen kan ik niet! Het is echt vakwerk, bestemd voor specialisten, die net zo kundig in de brontaal als de doeltaal zijn en (ze overdrijft haar Engelse accent) zoals je hoort, beheers ik de Nederlandse taal niet zo goed. Nee, ik richt me liever op het redigeren van teksten geschreven in het Engels door mensen voor wie het geen moedertaal is. Een goede schrijver of vertaler heeft mij niet nodig. Maar volk, dat niet zo thuis is in het Engels – zoals sommige studenten, academici of zakenlui – kunnen af en toe een native-speaker wel nodig hebben. Dan geef ik ze graag een helping hand met het aanbrengen van de finishing touches aan hun teksten.
H: Probeer jij er dan altijd perfect Engels van te maken?
G: Nee joh, vaak is dat niet aan de orde. Ik haal alleen de storingen eruit, de rest laat ik staan. Onveranderd dus. Stel, dat jij een brief hebt geschreven aan je nichtje in Canada. En bedenk eens, bij het corrigeren van jouw brief, dat ik jouw eigen stijlfoefjes eruit zou halen om ‘perfect English’ te maken. Wat dan zou overblijven is niet meer van jou, maar iets wat ik nagekauwd heb tot nauwkeurigheid en dat is niet de bedoeling! Ik moet niet alleen de tekst respecteren, maar ook de gevoelens van de auteur. ’t Is een boeiende uitdaging, vind je niet, zo keurig te moeten omgaan met taal?
H: Zolang je er lol aan hebt! Maar ja, je praat zo enthousiast over je werk, het lijkt alsof je van je hobby je beroep hebt gemaakt.
G: Dat klopt! Ik heb het geluk, dat ik met mijn moedertaal mijn brood kan verdienen en dat is hemelslekker. Maar dat doe jij toch ook, in jouw beroep als docent Engels?
H: (veegt een sprietje gras van zijn mouw af) Dat klopt. Het is mijn hobby ook, want als ik in the mood ben, schrijf ik Engelstalige poetry. En de Daily Telegraph is een heerlijke bron van leuke teksten en wetenswaardigheden voor in de klas.
Maar goed, ik zou uren door kunnen kletsen in dit heggesprek van ons, maar ik moet verder klussen. Prettige middag nog!
G: Insgelijks en don’t work too hard!
H: Don’t worry, I won’t. Maar nu eerst, buurvrouw, zal ik de krant voor je halen.
G: Dank je, buurman, da’s heel erg lief van je.

Voordat Haye terug is met zijn opgerolde krant, knijpt Gini haar oogjes dicht en is zij snel weer teruggevallen in snurkstand. Haye geeft de krant aan hondje Oliver die het netjes op de voeten van zijn bazin dumpt. Het andere hondje, Cleo, dat jaloers is op de aandacht die Oliver kreeg, begint gefrustreerd aan de pagina’s te scheuren. Eindelijk doet Oliver ook mee aan het spel en voordat je het weet, liggen beide kleine hondjes diep te rommelen in een overheerlijk nest van Engelstalige woorden.

Gini Werner en Haye van den Oever
 

Puzzelen met woorden

Interview met een tekstschrijver
 

Misschien kent u Anne Benneker van de stukjes die zij al jaren met enige regelmaat voor onze krant schrijft. In 1982 kwam ze samen met haar man Wim aan de L. van der Veenstraat in Garmerwolde wonen. Daar wonen ze nu nog met jongste dochter Charlotte (16) die in de vijfde klas van het Praedinius Gymnasium zit. De twee andere dochters Suzan (22) en Pauline (20) hebben het ouderlijk huis inmiddels verlaten. De eerste studeert medicijnen in Amsterdam, de tweede pedagogiek in ‘Stad’. Wim is als huisarts werkzaam in het Gezondheidscentrum Lewenborg. Anne werkt parttime bij het bureau ‘&Teksten’ in Groningen dat deel uit maakt van een media-adviesbureau. De resterende tijd besteedt ze aan haar gezin, aan lezen, sporten en aan de Plaatselijke Commissie van de kerk van Garmerwolde. “Ik houd van puzzelen met woorden”, vertelt Anne. “Dat je met niets begint, en dat er dan toch een verhaal uitkomt met een kop en staart. Het leuke van mijn werk vind ik ook dat je uiteindelijk een tastbaar product in handen hebt, een krant, een magazine of een folder.”

 
    Anne Benneker (Foto: Suzan Benneker)

Wat doet een tekstschrijver precies?
 “Als tekstschrijver moet je voor een breed publiek over allerlei onderwerpen een toegankelijk artikel kunnen schrijven. Een tekstschrijver schrijft in opdracht. Je gaat dus eerst overleggen met die opdrachtgever. Wat moet er geschreven worden, voor wie is de tekst bedoeld. Is het voor een krant, een folder of een website? Het ene onderwerp ligt je natuurlijk beter dan het andere, maar altijd zul je je als tekstschrijver goed in het onderwerp moeten verdiepen. Als tekstschrijver ben je de ‘spreekbuis’, geen ‘kritische journalist’. Je vertelt wat jouw opdrachtgever aan zijn doelgroep wil vertellen. Daarbij moet je de ‘rode draad’ van het onderwerp zien te pakken. Je moet dan wel eens sturen. Als iemand bijvoorbeeld een heel technisch verhaal vertelt moet je je wel afvragen of de lezer daar iets mee kan. Het is ook je taak om bestaande teksten te verbeteren en ideeën aan te dragen. Als de tekst klaar is, stuur je hem aan de opdrachtgever.”
“Of er wel eens een tekst compleet wordt afgekeurd? Nee, dat niet. Maar na overleg wordt er soms nog wel wat bijgesteld of gecorrigeerd. Als mensen hun eigen woorden opgeschreven zien, komt dat soms toch anders over dan ze het bedoelen.”

Wat schrijf je zoal?

“&Teksten heeft met verschillende opdrachtgevers te maken. Daaronder zijn veel gemeenten die begrotingen of andere ingewikkelde zaken onder de aandacht van hun burgers willen brengen. Zo hebben we de laatste tijd een aantal kranten over de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) geschreven. Daarnaast verzorgen we tal van uitgaven op uiteenlopend gebied, van toeristische uitgaven tot een krant over de jaarlijkse HT-race, de sloepenroeirace van Harlingen naar Terschelling. Van de Handdruk, het blad voor de vrijwilligers van het UMCG, tot een krant voor Hortus Haren.
Een paar keer per jaar verzorgen we ook een congreskrant op locatie, zoals pas nog in Zeeland. We verslaan dan een congres, compleet met fotoreportage en sfeerartikelen. De congresgangers vinden die krant de volgende ochtend op hun deurmat. We hebben altijd wel met deadlines te maken, maar meestal zit er nog wel een beetje rek in. Maar bij een congreskrant werken we met een hele ploeg tot diep in de nacht door om de deadline te halen. Dat is echt spannend!”

Wat vind je het leukst aan je werk?
Anne heeft plezier in haar werk, zegt ze. En ze vindt het leuk om mensen te interviewen. Bijvoorbeeld de vrijwilligers van het UMCG die ze spreekt voor de Handdruk. “Dat zijn heel uiteenlopende mensen, elk met een eigen verhaal. Wat hen bindt is dat ze vrijwillig zorgen voor ‘de franje aan de zorg’. Zij maken het verblijf in dat immense ziekenhuis een beetje aangenamer voor patiënten en bezoekers.” Desgevraagd zegt Anne dat ze geen ambitie heeft om ooit een boek te schrijven. Dat is niet ‘haar stiel’. “Tekstschrijven geeft me voldoening: het is een creatief beroep, waarin ik iets kan doen met mijn liefde voor taal.”

Henk Vliem
 

Tekst & verwerken
 

Sinds de computer zijn intrede deed in onze huishoudens en op het werk, is tekst verwerken een peulenschil geworden. En de wereld een stuk kleiner.
Stuurde ik vroeger een brief met van dat ultradunne luchtpostpapier naar mijn vriendin aan de andere kant van de wereld, dan was ik blij als ik twee of drie weken later antwoord van haar kreeg. Ik schreef voornamelijk over belangrijke gebeurtenissen en hoofdlijnen.  Tegenwoordig mail ik haar ’s ochtends onder de koffie even en vertel wat er vandaag bij mij op het menu staat en dat ik een pesthumeur heb. Soms komt een uurtje later het antwoord al binnenrollen en wordt ik alweer een stuk vrolijker.
In het begin was dat bijzonder. Nu is het alweer heel gewoon en staat niemand er lang bij stil.
Alleen als er een stroomstoring is of computerpech, realiseren we ons ineens weer dat er ooit een tijd was waarin alles anders was.

Wereld open
Er is een wereld voor ons opengegaan. Informatie opzoeken, gezellig kletsen (chatten), ervaringen delen; het kan allemaal en met iedereen over de hele wereld.
Ik heb mijn neef in China al een half jaar niet meer gesproken, maar weet precies waar hij woont, welke vrienden hij heeft en welke reisjes hij maakt. Elke twee weken stuurt hij een vaste vrienden- en familiekring fantastische verhalen en prachtige foto’s. Weet je meteen hoe het leven in China er zo’n beetje uitziet en je leert tegelijk iets over bv. de economie, de mentaliteit en cultuur van het land en zijn inwoners.
Mijn dochter in ”Stad” weet mij soms eerder op de hoogte te brengen welke potjes er in Thesinge ter wereld zijn gekomen, dan ik het zelf weet.
En dan hebben we het nog niet eens gehad over de levendige handel die via internet tot stand komt!

Bloggen: blog, blogde, geblogd?
De dikke Van Dale (althans die van mij) kan ik er niet op naslaan, die kende dit woord toen nog niet. Wikipedia (ook al via internet) vertelt er het volgende over:
Een weblog (in het Engels een ”blog”), is een website waarop regelmatig- soms meermalen per dag – nieuwe bijdragen verschijnen. De informatie wordt chronologisch weergegeven (op datum). Wie een weblog opent, ziet allereerst de recentste informatie. De auteur (blogger) van zo’n weblog biedt een logboek van informatie, dat hij wil delen met zijn publiek, de bezoekers van zijn weblog. Meestal gaat het om tekst, maar soms ook om foto’s (fotoblog), video (vlog) of audio (podcast). Weblogs bieden hun lezers de kans om – al dan niet anoniem- reacties onder de berichten te plaatsen. Weblogs zijn ontstaan naar aanleiding van het op natuurlijke wijze ”online dagboeken,” die mensen vanaf 1994, (na het http protocol) begonnen bij te houden. Het eerste Nederlandse weblog dateert van 1999.

Ook in Thesinge
Wie veel baat heeft gehad bij de bloguitvinding is Aly Pepping uit Thesinge.
In de zomer van 2006 zou zij geopereerd worden aan haar knie, die versleten was.
Omdat ze nogal opzag tegen de operatie, besloot ze op internet op zoek te gaan naar ervaringen van anderen. Die kon ze echter niet vinden, maar ze dacht wel: als ik er naar op zoek ben, zijn anderen dat misschien ook wel. Dus begon ze haar eigen weblog, waarop ze een dagboek bijhield van 20 weken vóór tot 20 weken na de operatie.
Het is de start van een serie artikelen over de beperkingen van een versleten knie, de operatie die dichterbij komt, het zoeken naar informatie en de revalidatie erna.
Al bloggende schijft ze haar angst weg en als het zover is, is ze helemaal klaar voor de operatie.
Er komen veel reacties op haar stukjes en zo blijken ook anderen er wat aan te hebben; het mes snijdt dus aan twee kanten. Eén mevrouw vindt dat ze door Aly’s artikelen beter voorbereid op het spreekuur van de orthopeed zit en zo de juiste vragen stellen kan.
Als na een half jaar de knie klaar is, droogt het nieuws op. Aly is er zelf ook klaar mee. Toch blijven de reacties komen. Ze besluit de weblog voorlopig in de lucht te houden en een boekje te maken van alle artikelen, dat ze in eigen beheer uitgeeft.
”Stilstaan bij een nieuwe knie” heet het boekje en het is voor iedereen die wil weten hoe het is om een knieprothese te krijgen.
Zelf vind ik het vooral een leuk en zeer leesbaar boek, met veel herkenbare dingen waar iedereen wel eens mee te maken krijgt of van gehoord heeft.
Het boekje is net uit en kost 9,80 euro, wie belangstelling heeft kan bij Aly Pepping terecht.

Waar een weblog allemaal toe kan leiden!

Susan de Smidt

www.knieblog.nl
pepping@xs4all.nl