G&T2013
Maandelijks Nieuwsblad voor Garmerwolde, Thesinge en omstreken

41e jaargang - juli 2015

'De psychiater heeft het zelf ook'

201507

Menno Oosterhoff: gepassioneerd in al zijn doen (Foto: Mareen Becking)


Bovenstaande kop was te lezen in het dagblad Trouw op 6 maart jongstleden. Menno Oosterhoff oogstte de afgelopen twee jaar veel landelijke publiciteit. Niet alleen door zijn actie tegen de overheveling van de jeugd-GGZ naar de gemeente, maar ook omdat hij als psychiater bekend maakte dat hij zelf aan een dwangstoornis lijdt. Menno woont met zijn vrouw Dineke en kinderen Joël, Paulus en Lasse aan de G.N. Schutterlaan 20 in Thesinge.

Een gedreven psychiater
Sinds 1983 is Menno werkzaam in de psychiatrie. Eerst als arts en sinds 1990 als psychiater en sinds 1991 ook als kinder- en jeugdpsychiater. Hij werkte eerst bij Accare, de academische kinder- en jeugdpsychiatrie, en nu bij Lentis, de Geestelijke Gezondheidszorg in de provincie. Hij is bezig met het oprichten van een polikliniek voor de behandeling tegen dwangstoornissen en hij begeleidt kinderen en volwassenen met dwang. Daarnaast schrijft hij een blog, geeft interviews en is begonnen met het schrijven van een boek. Een uitgever heeft hij al gevonden.
‘Door de actie tegen de overheveling van de jeugd-GGZ naar de gemeente kreeg ik veel publiciteit en leerde ik vaardigheden in het omgaan met sociale media. Ik begon blogs te schrijven, bijvoorbeeld in Medisch Contact en kreeg daar veel positieve reacties op. Ik werd er steeds bedrevener in en begon niet alleen over die actie te schrijven maar ook over andere zaken, zoals het onbegrip en de vooroordelen die er nog altijd bestaan over mensen met psychische aandoeningen. Ik gebruik de term ‘aandoeningen’, want dat geeft mooi weer dat een mens niet zijn psychische ziekte is, maar dat hij er door is aangedaan. Ik vraag er aandacht voor dat het lijden waarmee zij te maken hebben enorm groot kan zijn. Daar wordt nogal eens te licht over gedacht. Ook leg ik uit dat zo’n aandoening vaak niet een gevolg is van slechte ouders, of trauma’s in de jeugd. Lang niet alle aandoeningen zijn af te leiden uit wat je hebt meegemaakt. Vaak is er bijvoorbeeld sprake van een erfelijke kwetsbaarheid.’
Sinds Menno bedrevener is geworden in het omgaan met sociale media heeft hij een netwerk opgericht voor mensen met dwangstoornissen en voor professionals en een website (www.dwang.eu). Aan de website werken niet alleen deskundigen mee maar ook patiënten. Het is de bedoeling om eind volgend jaar voor het eerst een ontmoetingsdag rond dwang te organiseren.

Ik heb het ook’
‘Eerder was het niet zo relevant om ervoor uit te komen dat ik zelf last had van dwang. In een behandelcontact is dat zelden nuttig. Toen ik dat netwerk oprichtte voor mensen met dwang en patiënten aanmoedigde hun ervaringen te vertellen, vond ik dat ik zelf niet meer mijn mond kon houden. Ik heb er geen spijt van gehad. Voor veel mensen was het helpend; ‘Kijk de psychiater heeft het zelf ook’. Ik heb geen enkele negatieve reactie gehad. Het heeft wel veel publiciteit en bekendheid over dwang opgeleverd.’
Menno is komend jaar van plan om er een boek over te schrijven. Op de eerste ontmoetingsdag rond dwang, eind volgend jaar, wil hij het boek afhebben en het meegeven als geschenk. Hij wil het niet alleen schrijven als deskundige, maar ook vanuit de binnenkant; vanuit zijn eigen ervaring. Een boek is een andere manier om aandacht te vragen voor dwang en geeft een ander soort publiciteit. Veel mensen met dwang kunnen hun problematiek lang verborgen houden en op het moment dat er meer openheid en begrip komt, kan dat een enorme opluchting geven. Twee tot drie procent van de bevolking lijdt aan dwang. Helaas duurt het nog steeds lang voordat de mensen de diagnose krijgen en nog langer voordat de juiste behandeling begint.

Leven met dwang
Bij Menno is de dwang op zijn achttiende begonnen, toen zijn vader ongeneeslijk ziek bleek. Er was in die tijd weinig over dwang bekend. Later, toen hij psychiatrie studeerde, kreeg hij er meer zicht op. Dwang kan zich op allerlei manieren uiten. ‘Bij dwang, moet je je voorstellen, ben je voortdurend onrustig over iets waar je je eigenlijk overheen zou moeten kunnen zetten.’ Ordenen, overmatig precies zijn, schoonmaken, alles moeten controleren, dat zijn de meest voorkomende vormen. ‘Bij mij moest alles volledig zijn, een drang om dingen compleet te maken. Ik moest alles overzien; een enorme kwelling.’
Toen zijn vader ernstig ziek bleek, begon hij te schrijven in een dagboek. Dat schrijven werd al gauw dwangmatig. Hij moest alles opschrijven, wat hij voelde en ook wanneer dat gevoel veranderd was. Hij telde soms, rijdend op de fiets op zijn vingers hoeveel dingen hij op moest schrijven en o wee als hij zich dan eentje niet meer kon herinneren. Daar kon hij dan uren over nadenken, omdat het voelde alsof zijn leven ervan afhing, ook al wist hij best dat het niet zo belangrijk kon zijn. Dat is typisch voor dwang. Het voelt als heel noodzakelijk om te controleren, schoon te maken, te ordenen et cetera, ook al weet je met je verstand prima dat het onzin is. ‘Ik denk niet dat het ziekbed van mijn vader de oorzaak is geweest. Er speelt ook een erfelijke gevoeligheid, die wellicht door deze aanleiding tot een dwangstoornis heeft geleid.’
Menno is zelf in behandeling geweest, dat heeft verbetering gebracht en uiteindelijk nam hij ook medicatie. Hij kan er nu heel goed mee leven. ‘Dat het goed gaat komt niet meteen omdat ik er nu zo goed mee omga, maar ik heb het geluk dat de medicijnen en de behandeling hebben geholpen. Niet iedereen heeft dat geluk. Er zijn patiënten die ongelofelijk blijven lijden door hun dwang.
Het is soms ingewikkeld aan te geven wat dwang is en wat gewoon mijn aard is. Ik ben enorm gedreven, in mijn werk, ook in de tuin en in ons huis. Waar is het nog gewoon passie en waar is het dwangmatig? Ik ben nu echt dag en nacht aan het werk en hoewel ik het leuk vind, is het wel weer erg veel van het goede. Nu ik aan het schrijven ben, moet ik uitkijken dat ook dat niet dwangmatig wordt. Dat ik weer alles moet opschrijven wat ik bedenk over dwang of over allerlei andere onderwerpen.’
Laatst sprak hij met een oudere patiënt die vertelde dat hij weinig tijd had en het haast niet ‘wachten kon’ als zijn kinderen langs kwamen. ‘Ik zei toen: "Dan heb je niet te weinig tijd, dan wil je teveel". Maar ik ben zelf geen haar beter. Ik wil ook nog steeds te veel. Mijn vader werd maar zestig jaar. Ik ben nu zelf bijna zestig. Het wordt tijd dat ik wat minder leef alsof de duivel me op de hielen zit. Maar ik doe mijn werk met hart en ziel en met dat dwangnetwerk valt alles nu samen en doe ik iets wat ik echt altijd al wilde. Nu nog proberen niet alles vandaag al klaar te willen hebben.’

Irene Plaatsman